Nooit meer Verdun

Tachtig jaar geleden, om precies te zijn op 21 februari 1916, begon het Duitse offensief bij Verdun dat zou uitlopen op de grootste Frans-Duitse krachtmeting uit de Eerste Wereldoorlog. De strijd duurde ruim vier maanden. In juli gaven de Duitsers het offensief op. De Fransen verloren in de strijd om Verdun ongeveer driehonderdvijftigduizend man, de Duitsers iets minder. 'Verdun' is het symbool geworden van de verschrikkingen van de Eerste Wereldoorlog, van de zinloze slachtpartijen, het eindeloos opofferen van mensenlevens in de strijd om een paar kilometer grond. 'Nooit meer oorlog', de na 1918 veel gehoorde leuze, betekende in de eerste plaats: 'Nooit meer Verdun'.

Dat de strijd om Verdun uitliep op zo'n ongekende massale slachtpartij kwam doordat er een nieuw strategisch concept aan ten grondslag lag, de opvatting namelijk dat de overwinning alleen kon worden behaald door de totale uitroeiing van de legers van de tegenpartij. De schepper van deze doctrine was de Duitse generaal Von Falkenhayn. Deze was een aanhanger van de zogenaamde 'Westelijke school', die meende dat de oorlog beslist moest worden op het westelijke en niet op het oostelijke front. Het ging Duitslands militaire vermogen te boven deze beslissing te bereiken door een breed en alomvattend offensief. Wat echter wel mogelijk was, was de aanval op een beperkt doel dat voor de Fransen zo belangrijk was, dat zij gedwongen zouden worden iedere man in te zetten voor de verdediging hiervan. Als zij dat doen, schreef Falkenhayn, zullen de Franse strijdkrachten uiteindelijk doodbloeden ('weissbluten'). Op dat doodbloeden nu was de Duitse strategie in de slag om Verdun gericht.

Verdun was het object waarvoor, volgens Falkenhayn, de Franse legerleiding alles op het spel zou zetten. Hij had gelijk. Uiteindelijk werd driekwart van alle Franse troepen in de strijd om Verdun ingezet. Zo werd Verdun het symbool van de totale vernietiging. Velen hebben zich sindsdien afgevraagd hoe zoiets mogelijk was, hoe generaals zo cynisch konden omgaan met de levens van miljoenen soldaten en hoe die soldaten er steeds weer toe konden worden bewogen aan hun orders gehoor te geven.

Het antwoord op deze vragen is niet eenvoudig. De Eerste Wereldoorlog was een nieuw soort oorlog, gericht op de vernietiging van de tegenstander. Hoewel de vernietigingsstrategie pas in 1916 werd geformuleerd, toen na de slag om de Marne een soort impasse was ontstaan, zijn de grondslagen ervan al te vinden in de militaire doctrine die vóór 1914 aan de krijgsscholen werd onderwezen. Hierin werd oorlog voorgesteld als een wilsconflict tussen twee staten. De hele kracht van een land moest worden gemobiliseerd en samengebald in de nationale wil en deze moest worden gericht op de verplettering van de tegenstander.

Ferdinand Foch, die in 1918 de zegevierende geallieerde legers zou aanvoeren, had al vóór de oorlog als docent aan de Franse Hogere Krijgsschool heel dit militaire voluntarisme samengevat in de leuze: Winnen is een kwestie van willen (Victoire égale volonté). Het onbeperkte opofferen van mensenlevens kan echter ook niet los worden gezien van de sociale verhoudingen. Tussen officieren en soldaten bestonden sterke klasseverschillen. Op de Franse spoorwegstations vond men tijdens de oorlog de volgende aanwijzingen: “W.C. pour M.M. les officiers, Cabinets pour les sous-officiers, Latrines pour la troupe”.

De generaals gaven niet veel om een mensenleven en de soldaten waren ook in het gewone leven gewend orders van hogerhand zonder commentaar te aanvaarden. De soldaten, voor het grootste deel arbeiders en boerenjongens, beschouwden de stands- en klasseverhoudingen van de negentiende eeuw als iets vanzelfsprekends. Dit verklaart voor een deel de berusting waarmee zij hun orders bleven aanvaarden. Er waren natuurlijk pogingen zich aan de strijd te onttrekken, bijvoorbeeld door zelfverwonding, maar deze waren zeldzaam. Tot mei 1917 bleef het rustig. Toen braken de grote muiterijen uit. Bijna de helft van de Franse legers was bij deze 'collectieve indiscipline' betrokken. De muiterijen werden gewelddadig onderdrukt en het bestaan ervan is lange tijd verborgen gehouden.

John Keegan heeft in The face of battle geprobeerd te verklaren hoe het mogelijk was dat ondanks alles de strijdlust intact bleef. Hij heeft ook getracht te berekenen wanneer de weerstand brak. Zijn berekening komt er op neer dat een leger op instorten stond als de geaccumuleerde verliezen ongeveer gelijk waren aan het totale aantal troepen dat op dat moment onder de wapenen was. In maart 1918 had het Britse leger dit punt bereikt. Het aantal Britse gesneuvelden in de hele oorlog bedroeg toen ongeveer zeshonderdduizend man, evenveel als het totale aantal Britse soldaten dat op dat moment onder de wapenen was. Hetzelfde geldt voor de Fransen in 1917.

Zolang dat punt niet was bereikt, vochten de troepen echter door, niet zozeer uit strijdlust of enthousiasme, maar omdat zij weinig keus hadden. Zich overgeven was gevaarlijk want de vijand gaf geen kwartier, weglopen stond gelijk met desertie en dus met de dood. Wie niet uit de loopgraven kwam, werd er soms door de eigen artillerie uitgeschoten. Er bleef dus niet veel anders over dan te vechten en te hopen op een snelle en niet al te ernstige verwonding. “A comfortable wound”, schreef Maurice Bowra, “was an act of God much to be welcomed”. Een andere getuige vertelde van een soldaat die op het moment dat hij de loopgraaf uitkwam in zijn pols geraakt werd. Onmiddellijk daalde hij de ladder weer af en zei: “I've got mine, I'm off”. Zo gelukkig waren de meesten echter niet.

Verdun bracht geen doorbraak in de oorlog. Die zou pas twee jaar later komen, toen, na het laatste mislukte offensief van Ludendorff, de geallieerden in de zomer van 1918 het initiatief namen. Daarmee kwam ten slotte de omslag in de oorlog. De Duitse overgave volgde in november. Verdun was en bleef ook daarna echter het symbool der verschrikking. 'Nooit meer Verdun, nooit meer een Westelijk Front', werd na de oorlog het Franse streven. En er kwam ook geen nieuw Verdun. In de zomer van 1940 gaven de Franse legers zich over na een campagne van zes weken en het verlies van negentigduizend soldaten, nauwelijks meer dan een kwart van de verliezen die zij een kwart eeuw eerder alleen al in de slag om Verdun hadden geleden. De man die namens Frankrijk om een wapenstilstand vroeg, was niemand anders dan Philippe Pétain, 'de held van Verdun'. Hij was even oorlogsmoe als de Fransen zelf.