Moluks nationalisme

Fridus Steijlen: RMS. Moluks nationalisme in Nederland 1951-1994. Van ideaal tot symbool. 280 blz, Het Spinhuis, Amsterdam 1996, ƒ 39,95. Promotie: 9 november 1995, Universiteit van Amsterdam. Promotor: Prof.dr. R. Penninx.

Ambonezen werden ze in mijn jeugd genoemd en ik zie nog het vale woonwijkje met de lege tuinen achter de Driesprong in Breda voor me, waar zij woonden en wij niet kwamen. Waarom niet wist ik niet en ik stond er ook niet bij stil, dat het misschien wat vreemd was dat er in die buurt alleen maar Ambonezen woonden. Voor een kind is wat je aantreft altijd de gewoonste zaak van de wereld. Molukkers heten ze nu alweer lange tijd en de dreigende klank van die naam is nog altijd niet helemaal weg. Toch hebben de ambassadebezettingen, de treinkapingen en de gijzelingen alweer bijna twintig jaar geleden plaatsgevonden en was ik echt vergeten dat daarbij in totaal 14 doden (7 gijzelaars en 7 kapers) zijn gevallen. Ik dacht dat het er twee of drie waren. Waarschijnlijk hebben dus alleen de dramatische executies van enkele gijzelaars, in de treinen bij Wijster en De Punt en in het provinciehuis van Assen, blijvend indruk gemaakt. Daarna is het opvallend stil geworden rond de Molukkers en hun ideaal van de RMS, de Republik Maluku Selatan. Pas de laatste jaren zijn er weer wat kleine acties en demonstraties geweest, maar in de publiciteit is toch vooral de begrafenis van Ir. Manusama, die 25 jaar president van de Molukkers in Nederland is geweest. Manusama was ook voor Nederlanders een begrip, de nieuwe president (de Rotterdamse arts Tutuhatunewa) is twee jaar na zijn aantreden nog vrijwel onbekend.

De gebeurtenissen die de naam en het lot van de Molukkers over de hele wereld bekend hebben gemaakt, spelen in het boek van Fridus Steijlen een ondergeschikte rol. Er wordt niets verbloemd of goedgepraat, maar de acties hebben toch een relatief bescheiden plaats in de geschiedenis van een nu al bijna een halve eeuw Moluks nationalisme. Steijlen is een antropoloog met een opvallend sterke politicologische oriëntatie en een grote belangstelling voor de ontwikkeling van sociale bewegingen. Over de cultuur, de godsdienst, de geschiedenis en het wereldbeeld van de Molukkers worden we alleen geïnformeerd voorzover dat van belang is om iets te begrijpen van hun groeiend nationalisme en vooral van de wildgroei aan politieke, maatschappelijke en soms ook militaire organisaties. Met het traditioneel toch zeer gesloten Molukse milieu is Steijlen zeer vertrouwd, omdat hij al in de jaren zeventig als vrijwel enige Nederlander deel uitmaakte van een Molukse jongerenbeweging, die mede gericht was op een verbetering van de relaties tussen Molukkers en Nederlanders.

Zoveel betrokkenheid loopt niet altijd goed af en kan zeker wetenschappelijke distantie erg moeilijk maken. Van dat laatste is echt niets te merken. Het valt hoogstens op dat elke verbazing of verwondering (trouwens ook iedere bewondering of verontwaardiging) lijkt te ontbreken. Over de gekste dingen - een tegenpresident die alleen door Benin erkend wordt en ook kantoor houdt in dit Westafrikaanse staatje - wordt op een even vanzelfsprekende toon verteld als over de pogingen van Manusama bescheiden maar standvastig internationaal steun voor de RMS te verwerven. Veel levert het allemaal niet op, niets eigenlijk, en ook dat wordt niet verzwegen. Sprekend over de gekste dingen, realiseer ik me dat er nauwelijks iets gekkers te verzinnen is dan het idee om Molukse KNIL-militairen, die niet op Indonesisch grondgebied gedemobiliseerd wilden worden, tijdelijk naar Nederland 'op te zenden', hen daar te demobiliseren en vervolgens weer naar Indonesië terug te laten keren. Toch is dat wat er, mede als gevolg van een uitspraak van de Hoge Raad over de plaats van demobilisatie, in 1951 in gang is gezet, toen Indonesië allang onafhankelijk was en de Molukse militairen - ongeveer 4000 man - formeel ook al de Indonesische nationaliteit hadden. Tegen hun wil overigens, want zij waren in meerderheid na de oorlog in Nederlandse krijgsdienst gegaan om tegen de Indonesiërs te vechten. Als zij niet in Nederlandse krijgsdienst zouden kunnen blijven, bijvoorbeeld op Nieuw-Guinea, dan zouden zij wel willen terugkeren naar een juist uitgeroepen republiek van de Zuid-Molukken, maar zeker niet naar een ongedeeld Indonesië. Er was zeker angst om als landverrader te worden beschouwd, maar minstens zoveel angst om onder het juk van de Javaan, op wie de christelijke Molukker toch wel neerkeek, te moeten doorgaan. In 1951 kwamen ruim 12.000 Molukkers in Nederland aan en werden geheel tegen hun verwachting in - zij zagen de reis naar Nederland als een militair dienstbevel en niet als een vrijwillige keuze - uit de dienst ontslagen. De Nederlandse regering gaat uit van een tijdelijk verblijf van individuele Molukse burgers, die zo snel mogelijk weer gerepatrieerd dienen te worden. De Molukkers beschouwen zich als een militair collectief, waarvoor de Nederlandse overheid verantwoordelijk is alvorens zij weer voet aan land zetten op een (vrij) Ambon. Het is het soort misverstanden met grote gevolgen, dat bijna 40 jaar later tot de val van de Berlijnse muur zou leiden. Een simpele vraag van een journalist, een niet goed geïnstrueerde regeringswoordvoerder en het einde van de DDR was zelfs geen kwestie van tijd meer. Dat was hier wel het geval, want wat een verblijf van minder dan een half jaar had moeten worden, werd uiteindelijk voor de meeste Molukkers een definitief verblijf in Nederland. Inmiddels zijn er al drie 'Nederlands' Molukse generaties en zijn er niet veel Molukkers meer die geloven in de mogelijkheid van de vestiging van een eigen republiek, waar men dan ook zelf op Ambon of Ceram deel van zou uitmaken. Openlijk wordt dat nog steeds niet veel gezegd, maar Steijlen laat er geen twijfel over bestaan, dat juist de intensiteit van het bezoek aan de Molukken - pas sinds een jaar of vijftien echt mogelijk - veel van de politieke mythologie van zijn kracht heeft beroofd. Er wordt vanuit Nederland veel voor de Molukken gedaan, voor familie daar en voor de dorpen waar de familie vandaan komt. Hulp en steun zijn in de plaats gekomen van het politieke ideaal en van de wil om voor de onafhankelijkheid te vechten. Die wil is er ook op de Molukken zelf niet of nauwelijks. Na de executie in 1966 van de eerste president van de Zuid-Molukken, Soumokil, is de guerilla op de eilanden tegen de Indonesische regering definitief voorbij. Met het nationalisme van de Molukkers is het een vreemde zaak. Steijlen maakt duidelijk dat de Molukkers van 1950 geen oude KNIL-lers waren, maar redelijk politiek bewuste, jonge mannen, die pas na de Japanse bezetting voor de dienst in het Nederlands-Indische leger kozen. Het idee van een eigen republiek, eventueel nog in een federaal Indonesië ontstond ook pas na de bezetting, maar kreeg pas echt vleugels, toen Indonesië een eenheidsstaat werd (wat de Nederlanders hebben proberen te verhinderen, maar binnen een jaar na hun definitieve vertrek natuurlijk toch al een feit was). Door het vertrek naar Nederland van een groep militairen, die al langere tijd niet meer in de Molukken was geweest, ontstond er vrijwel zonder contact met de groep rond Soumokil en zonder mogelijkheden om werkelijk invloed uit te oefenen in de archipel in Nederland een nieuwe nationalistische beweging van Molukkers in ballingschap.

De huisvesting in primitieve barakken in geïsoleerde woonoorden, waarbij elk woonoord al gauw ook een eigen politieke en sociale kleur kreeg, functioneerde als een soort nationalistische hogedrukpan. Er was nauwelijks contact met Nederlanders, men kon zich niet vrij bewegen, er was geen werk, de sociale controle was zeer hoog, men kon niet meer terug naar het eigen land en van de Nederlandse regering was geen enkele steun te verwachten voor het RMS-ideaal. Wat je dan ziet, is een ongelooflijke politieke en sociale drukte, waarin de traditionele familie- en dorpsbanden, de kerkgemeenschappen en de nieuwe maatschappelijke en politieke organisaties zeker niet eenparig bewegen, maar wel allemaal het RMS-ideaal steeds hoger opvoeren. De in Nederland geboren generaties radicaliseren niet alleen in de jaren zestig en zeventig, maar gaan ook letterlijk en figuurlijk hun eigen weg. Grappig is hoe Steijlen in de komst van de NS-Tienertoerkaarten een belangrijke factor ziet voor de versterking van de banden tussen jongeren uit de verschillende over het land verspreide woonoorden en woonwijken. Men zoekt elkaar op, leert de macht van de grote groep kennen en weet zich tegelijkertijd gevrijwaard van het controlerende oog van de oudere generatie. Men is zeker minder volgzaam en gezagsgetrouw dan vaak wordt gedacht. Tijdens en na de terroristische acties heeft de Nederlandse overheid verstandig en voorzichtig gehandeld en hetzelfde kan gezegd worden van leidende figuren uit de eigen kring als Manusama en Metiary. Treurig is wel dat de Molukkers van een politiek probleem steeds meer een sociaal probleem beginnen te worden. De integratie in de Nederlandse samenleving, die geleidelijk aan toch inzet, gaat met veel pijn en moeite gepaard. De leefomstandigheden zijn vaak slecht, de werkloosheid is hoog, het opleidingsniveau gemiddeld laag en er zijn veel verslaafden aan harddrugs. Minister-president Lubbers slaagt erin veel van het oude zeer en het gevoel onrecht te zijn aangedaan, af te kopen en zeker de jongere generaties beseffen dat zij niet geroepen zijn om hier het politieke lot te gaan bepalen van een land en een volk, dat zij op zijn best op vakantie hebben leren kennen. De RMS wordt van een ideaal steeds meer een symbool van een historische en etnische band en zeker ook van solidariteit met de bewoners van de Molukken. De geschiedenis van de Molukkers in Nederland is hiermee niet ten einde. Steijlen is in zijn laatste hoofdstuk opvallend voorzichtig in zijn voorspellingen. Molukkers hebben er moeite mee om net als Surinamers, Antillianen of Turken als allochtonen te worden beschouwd en het is niet uitgesloten, dat er in Indonesië bij een machtswisseling zoveel in beweging komt, dat de roep om zelfbeschikking op of voor de Molukken weer luid wordt. In de hoogtijdagen van het RMS-ideaal waren de Molukken vrijwel onbereikbaar, nu de RMS vooral symbool geworden is, zijn ze een of twee dagen reizen dichtbij. Verrassingen zijn niet uit te sluiten.