Meranti 'voert' zaailing 'bij' met netwerk van schimmeldraden

Jonge merantibomen groeien het beste als ze dicht in de buurt van hun moeder staan. Die helpt ze om te overleven in het tropisch regenwoud, dat voor jonge bodem eigenlijk te donker is.

De moederboom vormt het middelpunt van een netwerk van schimmeldraden (mycorrhizae), die de jonge bomen als door een navelstreng van de nodige suikers voorzien. Hierdoor hebben de kiemplanten meer overlevingskans. Dat blijkt uit het proefschrift van dr. I. Yasman, beschreven in Boomblad (februari 1996). Het onderzoek werd deels uitgevoerd in een tropisch regenwoud op Oost-Kalimantan en deels aan het DLO-Instituut voor Bos- en Natuuronderzoek in Wageningen.

Het Indonesische merantibos wordt al sinds de jaren zestig intensief geëxploiteerd. Van herstel van het bos na de houtkap komt echter weinig terecht en ook de aanplant van zaailingen mislukt vaak. De laatste jaren is daarom veel onderzoek gedaan naar de schimmels, waarmee deze bomen samenleven tot wederzijds voordeel (symbiose). De Dipterocarpaceae - dat zijn leden van een tropische bomenfamilie met ruim 500 soorten - kunnen zonder samenwerking met deze schimmels niet overleven. Dipterocarpaceae bloeien maar eens in de vier of vijf jaar en produceren dan een enorme massa gevleugelde zaden, waarvan de meeste niet ver van de stam vallen. Zo staat de bosbodem na verloop van tijd vol kiemplanten, maar het is er zo donker, dat deze planten niet in staat zijn voldoende suikers te produceren voor hun groei. Door lichtbegrek hebben ze een negatieve suikerbalans: 's nachts verbruikt de ademhaling meer dan de fotosynthese overdag oplevert. Je zou dus verwachten dat de plantjes snel wegkwijnen, maar sommige zien kans op wonderbaarlijke wijze te overleven.

Yasmin toonde aan dat dat komt doordat deze zaailingen via schimmeldraden worden 'bijgevoerd' door de moederboom. De moederboom vangt met haar hoge kroon zelf wèl ruim voldoende licht op. Zaailingen, die dicht bij haar wortelstelsel ontkiemen, doen het beter dan soortgenoten die een eindje verder weg staan. Volgens Yasman is de rol van de mycorhizae voor het overleven van de kiemplanten belangrijker dan de beschikbare hoeveelheid licht of de vruchtbaarheid van de bodem.

De onderzoeker wijst op de noodzaak om bij het selectief kappen van oerwoud altijd een aantal bomen verspreid te laten staan. Zij zijn nodig voor het herstel van het bos. Ook minder vitale bomen kunnen nog een nuttige rol spelen, doordat zij zaailingen helpen overleven. Bij selectieve oogstsystemen moet hiermee rekening worden gehouden.

    • Marion de Boo