Major en Bruton gedwongen tot akkoord

LONDEN, 29 FEBR. Heeft het Ierse Republikeinse Leger (IRA) met bomaanslagen bereikt wat Sinn Fein, zijn politieke vleugel, met argumenten niet is gelukt? Zijn de regeringen van Groot-Brittannië en Ierland gezwicht voor terreur?

Natuurlijk niet, zei gistermiddag de Ierse premier, John Bruton, verontwaardigd na afloop van de Anglo-Ierse top waarop een begindatum voor het Noordierse vredesoverleg is vastgesteld.

Sinds de IRA op 31 augustus 1994 een stopzetting van de militaire operaties aankondigde, heeft Sinn Fein voortdurend aangedrongen op een snel begin van die vredesgesprekken. “All-party-talks now”, was de eis die de aanhang meer dan een jaar lang bij elke demonstratie scandeerde. Het almaar uitblijven van dat overleg, zonder voorwaarden vooraf, voerde de IRA drie weken geleden aan als reden voor een hervatting van het geweld.

Maar geduldig legde de Ierse premier gisteren uit dat het vredesoverleg er ook zonder bomaanslagen in Londen zou zijn gekomen. “Het geweld heeft onze tijdsplanning niet versneld en ook niet op andere wijze beïnvloed”, zei Bruton. “Het heeft alleen maar voor nieuwe problemen gezorgd.”

Hij wees erop dat Groot-Brittannië en Ierland al sinds de gezamenlijke Downing Street Verklaring van eind 1993 aansturen op een politieke regeling voor het conflict in Noord-Ierland. Nog tijdens de laatste Anglo-Ierse top eind november hadden de beide regeringsleiders een twee sporenbeleid ontvouwt dat tot centraal vredesoverleg moest leiden. Dat beleid was door het besluit van de IRA om weer naar de wapens te grijpen alleen maar doorkruist.

Ook de Britse premier Major ontkende dat Sinn Fein door de terreur van de IRA toch nog haar zin had gekregen. “De beëindiging van het staakt-het-vuren had het hele vredesproces van de rails kunnen blazen. Dat hebben we niet toegelaten.” De bomaanslag in de Londense Docklands die op 9 februari een einde maakte aan het bestand van de IRA noemde hij “een ernstige tegenslag”. Maar hij toonde zich tevreden omdat “het vredesproces door het geweld niet ineengestort was”.

Blijft de vraag waarom de beide landen na de hervatting van de IRA-terreur opeens wel in staat waren om een begindatum voor vredesoverleg te bepalen, en niet daarvoor. Het pijnlijke antwoord is dat Londen en Dublin eerder hopeloos verdeeld waren over de voortgang van het vredesoverleg. Ierland had de meeste haast. Ierland vond dat het vredesoverleg zo snel mogelijk van start moest gaan omdat het wist dat de nationalisten met Sinn Fein aan kop ongeduldig begonnen te worden. De nationalisten die voorstanders van een verenigd Ierland zijn.

Groot-Brittannië stelde zich eerder afwachtend en behoedzaam op. De Britten wisten dat centraal overleg geen kans had als de unionisten, die de band met het Verenigd koninkrijk willen houden, daarbij niet aanwezig zouden zijn. Zij wensten pas met Sinn Fein aan de onderhandelingstafel te zitten als de IRA het geweld voorgoed had afgezworen. Daarom hielden de Britten halsstarrig vast aan hun eis dat het verboden leger eerst een begin met ontwapening moest maken voordat het centraal overleg van start kon gaan.

Londen en Dublin probeerden hun meningsverschillen nog te maskeren door onder druk van de VS een 'twee sporen-beleid' te lanceren. Maar de impasse werd alleen maar negen weken opgeschort. Hoewel het 'twee sporen-beleid' wel degelijk tot een doorbraak had kunnen leiden. Als de beide regeringen maar in staat waren geweest één front te vormen. Het hield in dat besprekingen met alle politieke partijen in Noord-Ierland de weg zouden banen voor het centraal vredesoverleg. Tegelijkertijd zou een internationale commissie onder leiding van de Amerikaanse senator George Mitchell met voorstellen tot ontwapening komen.

Die commissie kwam met een advies waarin zowel de vrees van de nationalisten als de bezorgdheid van de unionisten recht werd gedaan. Door het aanvaarden van zes principes moet de IRA zich voor eens en voor altijd tot vreedzame methoden bekennen, zei de commissie. Maar de Britse regering moet afzien van haar eis dat ontwapening aan het vredsproces vooraf dient te gaan. Laat de ontmanteling van wapens in de loop van het vredesoverleg zijn beslag maar krijgen.

Het vredesproces ontspoorde op het moment dat de regeringen er niet in slaagden om met een gemeenschappelijke reactie op het Mitchell-rapport te komen. Groot-Brittannië en Ierland bleken opeens recht tegenover elkaar te staan. Terwijl Ierland de aanbevelingen van de commissie omarmde, vond Groot-Brittannië dat Sinn Fein haar plaats aan de onderhandelingstafel eerst moest verdienen door deel te nemen aan verkiezingen. Daarop kwam Ierland met het plan voor een vredescongres, naar het model van de Bosnië-conferentie. Door ieder hun eigen koers te varen, dreven Dublin en Londen steeds verder uit elkaar.

Het vredesproces kon van de grond komen doordat de beide regeringen als een eenheid opereerden. “Is het vredesproces gedoemd om in elkaar te storten nu de beide landen hopeloos verdeeld zijn”, vroeg een journalist op 8 februari aan de Britse minister voor Noord-Ierland, Sir Patrick Mayhew. “Stoute jongen”, zei de minister. “Laat deze pudding nog maar rustig even koken.” Een dag later maakte de eerste bomaanslag aan het vredesbestand een eind.

Groot-Brittannië en Ierland hebben kennelijk druk van buiten nodig om hun meningsverschillen opzij te kunnen zetten. Druk van de Amerikaanse regering. Hervatting van terreur. Daarmee wordt op zijn minst de schijn gewekt dat geweld wel degelijk loont.

    • Dick Wittenberg