In Liefde Bloeyende

Hendrik de Vries (1896-1989)

Mijn broer

Mijn broer, gij leedt

Een einde, waar geen mens van weet.

Vaak ligt gij naast mij, vaag, en ik

Begrijp het slecht, en tast en schrik.

De weg met iepen liept gij langs.

De vogels riepen laat. Iets bangs

Vervolgde ons beiden. Toch woudt gij

Alleen gaan door de woestenij.

Wij sliepen deze nacht weer saam.

Uw hart sloeg naast mij. 'k Sprak uw naam

En vroeg, waarheen gij gingt. Het antwoord was:

'Te vreeslijk om zich in te verdiepen.

Zie: 't gras Ligt weder dicht met iepen

Omkringd'.

Het gaat in dit gedicht om een geheim, 'waar geen mens van weet'. Omdat de dichter zijn broer rechtstreeks toespreekt Mijn broer, gij leedt...

denken we aanvankelijk dat het hier gaat om een 'waar geen mens van weet', behalve jij en ik. De aanhef zet de toon van geheimzinnigheid. De 'ik' is de enige overlevende van een samenzwering. Wij, de lezers, zijn buitengesloten. Wij hebben geen deel aan het geheim.

Dat ook de dichter 'het slecht begrijpt', in de vierde regel van de eerste strofe, interpreteren we in onze naïveteit eerst nog als een slecht begrijpen van het feit dat zijn dode broer vaak, en altijd vaag, naast hem ligt. Maar al in de tweede strofe is er sprake van dat broer destijds alleen zijn weg vervolgde 'door de woestenij' en in de derde strofe vraagt de dichter hem nadrukkelijk waarheen hij toen op weg was. Ineens begrijpen we dat het hier van het begin af ging om een 'waar geen mens van weet', ook ik niet - we begrijpen het zó duidelijk dat het antwoord 'Te vreselijk om zich in te verdiepen' extra hard aankomt. Zowel wij als de dichter zijn buitengesloten, geen levende ziel heeft deel aan het geheim.

Het is een geheim dat we dus maar het beste een geheim kunnen laten. De droomtoestand en de onverklaarbaarheid maken de schoonheid van dit gedicht uit, en elke uitleg betekent armoe. Het kan haast niet anders of een leger uitleggers heeft er zich met jeukende handen op gestort. Willem Wilmink, een groot kenner van het werk van Hendrik de Vries, noemde dit een gedicht 'waarvan de dichter me zei te betreuren dat hij het ooit had geschreven: er is zoveel over gedelibereerd en gedebatteerd dat het wel moet lijken of hij nooit iets anders creëerde.'

Twee redenen om dit gedicht met rust te laten uit respect voor de poëzie en uit respect voor de dichter. Een derde reden lijkt me het haast vanzelfsprekende feit dat het onderwerp van het taboe - 'Te vreselijk om zich in te verdiepen' - de onuitsprekelijkheid zelf is. Het is een rondzingend gedicht dat zinspeelt op de droom als leven en het leven als droom, op het schimmenrijk en het rijk van de levenden, twee werelden die samenvallen en toch oneindig ver van elkaar zijn. Het is een gedicht over de onderwereld. Over de mens in de hel en de hel in de mens.

Nee, schrik niet, ik sla niet aan het interpreteren. Ik leg het gedicht niet onder de microscoop. Ik heb geen idee wat er allemaal al over gedelibereerd en gedebatteerd is. Ik volg alleen, op mijn poëtische boerenklompen, de enige clou die de broer, bij monde van de dichter (of de dichter, bij monde van de broer) heeft gegeven:

Zie: 't gras Ligt weder dicht met iepen Omkringd Bij gras en kringen denkt men aan heksenkringen en dat helemaal bij Hendrik de Vries, bij wie heksen zo'n centrale rol spelen. Bij heksen en magie denkt men aan de Flora diabolica. De plant in de demonologie van Is. Teirlinck - en dat helemaal omdat hier van bomen sprake is. In de Flora diabolica lezen we dat in het midden van de ingang van Vergilius' Hel 'een hoge, dicht bebladerde Olm' staat, 'waarin de ijdele Dromen wonen'.

De Olm is, zoals men weet, synoniem met de Iep.

Zo zijn we in nauwelijks drie stappen bij Dante's Hel gekomen, die ook alleen maar door de woestenij - per la piaggia diserta - te bereiken was.

Maestro, il senso lor mè duro. Willen we de betekenis wel vatten van de inscriptie boven de hellepoort? Nee, nee, laten we niet verder gaan. Laten we de dichter en het gedicht, de broer en het raadsel, de demonen, de martelingen en alle ijdele dromen die in het lover van iepen huizen inderdaad liever met rust laten.

    • Gerrit Komrij