'Iedere dag pistool op mijn hoofd'; Getuige 'Bende van Venlo' ontkent waarheid van dagboek

DEN BOSCH, 29 FEBR. “Dag Astrid. Hoe voel je je vandaag? Denk je dat je in staat bent de vragen die ik je ga stellen te beantwoorden?” Met een vaderlijke glimlach begroette de president van het gerechtshof in Den Bosch mr. W. Smulders gisteren de verdachten in de beroepszaak tegen de Bende van Venlo. “Hoe zijn nu je gevoelens tegenover Frank? Ben je weer bevriend met hem? Ik heb gehoord dat jullie elkaar veel brieven en kaarten schrijven.” “Ja, dat klopt, 't gaat wel goed dacht ik”, antwoordt de 19-jarige schoenenverkoopster vanachter het los over het gezicht hangende haar.

Schuin achter haar in de verdachtenbank zit het onderwerp van het gesprek, Frenkie P. (23), die tot levenslang is veroordeeld door de rechtbank voor zijn aandeel in zeven moorden. Hij bijt op zijn onderlip of plukt aan zijn haren. Astrid van B. is vandaag geen verdachte, maar getuige in de zaak-Van Rijn, genoemd naar het bejaarde tuindersechtpaar dat twee jaar geleden op carnavalsdinsdag met doorgesneden keel in hun huis in Venlo werd aangetroffen. Eerder heeft Astrid verklaard dat ze buiten in de auto had zitten wachten totdat ze binnen hoorde schreeuwen. Toen ze de voordeur opendeed zag ze hoe Frenkie de man en de vrouw met een mes stak. Ze begon te gillen, waarna Frenkie haar een paar klappen gaf en haar in de kofferbak van zijn Opel Ascona stopte.

De reactie van Astrid is dezelfde als in Roermond: “Dat verhaal kan niet kloppen, want ik ben er niet bij geweest. Ik heb dat zo bij de politie verteld omdat ik zeven dagen op het bureau vast had gezeten. Er stonden wel tien mensen tegen me te roepen dat ik het moest vertellen, dan mocht ik naar huis.”

De president wil het niet geloven. Eerst houdt hij haar voor dat een van de vrouwelijke verbalisanten heeft gezegd dat zij Astrid met zijden handschoenen heeft aangepakt en even later begint hij over haar dagboeken, die pas na het proces in Roermond zijn opgedoken. Ze wil er niet over praten: “Ik beroep me op mijn zwijgrecht.” De president kijkt verbaasd: “Astrid, je hebt geen zwijgrecht, je ziet hier als getuige. Je moet antwoorden op mijn vragen, maar ik geef toe dat ik machteloos sta als je niets zegt. Ik kan je wel gijzelen, maar daar heb ik niets aan, omdat je toch al vastzit voor de zaak-Wissink.” Astrid blijft zwijgen, ook als de president haar enkele passages uit de dagboeken voorhoudt. Op een van de eerste pagina's schrijft ze dat ze Frenkie haat omdat hij haar getuige heeft laten zijn van vijf moorden: “op drie Turken en op die oude mensen”. “Ik heb gezien hoe hij met messen in die oude mensen zat te steken. Omdat ik begon te gillen heeft hij me in de kofferbak gegooid. In Blerick mocht ik er pas uit.” En zij noemt de namen van de anderen die ze gezien heeft bij de moorden: Sanny, Marcel en Sjakie.

De twee dagboekjes uit het Huis van Bewaring, het ene met Mickey en Minnie Mouse op de kaft en het andere met een foto van de popgroep 2 Unlimited, zijn een lange tirade tegen haar vriend, die zij afwisselend Franky en Tony Montana (naar de hoofdfiguur uit Frenkies favoriete film Scarface) noemt. Maar de naam gaat steeds vergezeld van epitheta als lul, klootzak of kankerzak. Op iedere bladzijde komen die woorden meerdere keren voor. Ze schrijft dat ze doodsbang is voor hem, dat ze in de cel de hele dag zit te huilen. In de kantlijn zijn overal tranen getekend.

Vlak voor kerstmis 1994 schrijft ze een gedicht over verdriet om wat Frenkie haar heeft aangedaan. Gaandeweg beklaagt ze zich steeds meer over het geweld dat hij tegen haar gebruikte: “Iedere dag zette hij het pistool tegen mijn hoofd en dwong me seks te hebben. Als hij bezig was legde hij het pistool onder mijn hoofd. Iedere dag sloeg hij met zijn vuist op mijn knieën en een keer heeft hij me met de auto proberen te overrijden. Ik ben doodsbang voor hem.” Als zij tenslotte op aandringen van de politiemensen die haar verhoord hebben, aangifte doet van mishandeling en verkrachting, volgt een dag later de reactie van Frenkie: hij beschuldigt haar van betrokkenheid bij de moord op Wissink, de enige die hij zelf bekend heeft. Tot dan toe is de moord niet ter sprake gekomen in de dagboeken. Astrid is in Roermond tot twee jaar veroordeeld voor medeplichtigheid aan die moord.

“Ik heb dat zo opgeschreven omdat ik bij wilde houden wat ik tegen de politie verteld had”, is het enige dat de schrijfster over de dagboeken zegt. Dat wil de president ook niet geloven: “Astrid, dit zijn toch niet zomaar aantekeningen, volgens mij is dit de hartekreet van iemand die in nood is, die een uitlaatklep zoekt.” Hij leest tenslotte een passage voor uit de brief die Astrid naar Frenkie heeft gestuurd toen ze wist dat de dagboeken in handen van de politie zijn: “Lieve schat van me, ik moet je iets vertellen. Ik hou van je en ik zal altijd van je blijven houden, mijn leven lang. De politie heeft de dagboeken gevonden die ik aan Harriet heb meegegeven. Daar staat een hoop onzin in, allemaal leugens, maar ze willen ze niet teruggeven. Je moet niet kwaad op me worden.”

Astrid zwijgt. Alleen als de advocaat van Frenkie haar vraagt: “Heeft Frank je wel eens geslagen of verkracht?” zegt ze twee keer “nee.”

    • Jacques Herraets