'Het Nederlandse onderwijs is erg selectiegek'; Procesmanager waarschuwt voor mislukken basisvorming

DEN HAAG, 29 FEBR. “Als we scholieren direct na de basisschool blijven selecteren op schooltype, mislukt de basisvorming in het voortgezet onderwijs. Dan dagen we elk kind niet genoeg uit om zo hoog mogelijk te klimmen. Dan riskeren we veel meer uitvallers in de samenleving.”

Deze waarschuwende woorden spreekt R. Zunderdorp. Hij is sinds 1992 voorzitter van het 'procesmanagementteam' dat middelbare scholen terzijde staat bij de basisvorming, het gemeenschappelijke lesprogramma in de eerste klassen van alle typen voortgezet onderwijs. Zunderdorp pleit ervoor om de definitieve schoolkeuze uit te stellen tot na de basisvorming, als een scholier omstreeks vijftien jaar oud is. Nu verwijzen de basisscholen hun leerlingen al op twaalfjarige leeftijd.

Het CITO concludeerde onlangs dat vorig schooljaar een kwart van de mavisten beter scoorde dan de VWO'ers in de afsluitende toetsen van de basisvorming. Dit komt volgens Zunderdorp niet doordat de VWO-ers zich vervelen in de 'middelmatige basisvorming' (“dan hadden ze in groten getale bijna foutloos moeten scoren”). Het komt doordat, zegt hij, “die goede mavisten op de verkeerde school zitten. Ongewild moeten zij het met minder intellectuele vorming stellen.”

Dat scholieren te vaak op een verkeerd schooltype komen concludeert Zunderdorp ook uit het grote aantal 'stapelaars' - zestien van de honderd scholieren met een Mavo-diploma en negentien van de honderd leerlingen met een Havo-diploma stromen door naar respectievelijk Havo en het VWO. Die verkeerde selectie blijkt volgens hem verder uit het feit dat dertig procent van de scholieren met een expliciet VWO-advies het VWO niet afmaakt.

“Nederland is selectiegek”, smaalt Zunderdorp. “Wij maken het ons hier veel te gemakkelijk door maar heel vroeg het onderwijs als aardappelsorteermachine te gebruiken. We doen dat aan het eind van de basisschool. Veel te vroeg, want het blijkt te vaak fout. De oplossing ligt voor de hand: waarom doen we niet wat landen om ons heen ook doen? Een kind pas op vijftienjarige leeftijd definitief verwijzen naar een schooltype. Dat heeft de politiek wel aanbevolen toen de wet basisvorming werd aangenomen, maar niet afgedwongen.”

Tweeëneenhalf jaar na invoering ziet Zunderdorp zijn streven naar meer gelijke kansen botsen met de maatschappelijke werkelijkheid. Terwijl de wet beoogt dat middelbare scholen met twee of drie jaar basisvorming een algemene basis leggen voor iedereen, worden kinderen al voortijdig geselecteerd en is er van 'een algemene basis' amper sprake. Middelbare scholen werpen zich in hun wervingscampagnes op als de school met 'een aparte VWO-afdeling', en uit enquêtes blijkt dat ze steeds vaker afstappen van brugklassen met kinderen van alle niveaus. Die vroege selectie schrijven de scholen toe aan druk van de ouders. De voorzitter: “Dat is een tegengestelde beweging die we moeten doorbreken. Niet met een nieuwe onderwijshervorming, maar met het consciëntieus doorzetten van de basisvorming.”

Zunderdorp was begin jaren tachtig voor de PvdA wethouder van onderwijs in Groningen en later organisatieadviseur in Den Haag. Hij is sociaal-democraat en geldt binnen de PvdA als een 'ideologisch technocraat' die het onderwijs ziet als een middel voor meer gelijke kansen.

Pleit U met uitstel van schoolkeuze opnieuw voor de middenschool?

“O jee nee. Ik wil geen structuurdiscussie. Dan worden de persen stopgezet, stoppen de scholen hun inhoudelijke vernieuwing en gaat iedereen de discussie afwachten. Ik wil dat middelbare scholen kinderen van uiteenlopende niveaus twee tot drie jaar bij elkaar houden in een klas, zoals je dat ook ziet op de basisschool. De samenleving zit zo ingewikkeld in elkaar dat je het met de standaard aan het eind van groep acht niet meer kunt redden. Je moet die standaard twee of drie jaar verder leggen. De CITO-toets op de basisschool moet als voorspeller worden afgeschaft. De toets moet een ander doel dienen: het opsporen in groep zeven van lacunes in kennis en vaardigheden.”

Maar hoe zorg je er dan voor dat die leerlingen in eenzelfde klas in de basisvorming allemaal aan hun trekken komen?

“Door de leraren en de scholen veel ruimte te geven. Door hen te stimuleren uit elk kind het hoogst haalbare te peuren. Niet elke school hoeft leerlingen tot het bittere einde van de basisvorming bij elkaar in de klas te laten zitten, maar nu doen we het andere uiterste en verspelen we een hoop kwaliteiten. Neem Frankrijk, waarover onderwijskundige Sarah Blom schrijft in haar proefschrift. Leraren op middelbare scholen moeten daar de eerste drie leerjaren 'werelden openen' voor kinderen. De wereld van de literatuur, van de techniek, noem maar op. Voor elk kind apart leggen ze steeds de lat een stukje hoger zodat hij erover heen kan springen, maar zonder dat hij ontmoedigd raakt omdat de lat te hoog ligt. In Frankrijk ligt dientengevolge het onderwijspeil hoger, niet alleen het niveau van het gymnasiale onderwijs maar van al het onderwijs. De Fransen willen niet 20 tot 25 procent van de kinderen afschrijven omdat ze te dom zijn voor de samenleving. Willen we meedoen in de vaart der volkeren, dan zullen we op een later tijdstip moeten selecteren, en meer ruimte moeten bieden aan verschillende leerstijlen.”

Maar de Nederlandse schoolcultuur is toch nog helemaal niet gericht op individueel lesgeven?

“Echt pessimistisch ben ik niet over de basisvorming. Het heeft scholen een eigentijds, breder en samenhangender vakkenpakket gebracht. Inhoudelijk is het misschien wat overladen en nog te veel een allegaartje, maar dat passen we over twee jaar aan, als de 250 kerndoelen worden herzien. Op een ander punt staat het er erg slecht voor. Dat is die individuele leerling. Die komt nauwelijks aan bod, want de meeste leraren mikken nog op de gemiddelde leerling in een klas van dertig. Zodra een kind het een beetje beter of slechter doet, is het al gauw zo dat ze zich vervelen of er voor spek en bonen bij zitten. Dus zijn we druk bezig om scholen daarin beter te laten trainen.”

Hoe doet U dat?

“Er komen trainingen voor scholen en docenten, bijvoorbeeld in toetsdeskundigheid. We willen af van die centrale uniforme toetsen aan het eind van de basisvorming. Wij zeggen: gebruik die toetsen alleen om te kijken wat een leerling heeft opgestoken. En laat de leraar een geschikt moment bepalen, voor elke leerling apart, liefst op zijn eigen niveau.”

Op een gymnasium in Breda toetsen de leraren Nederlands de leerlingen niet meer. Ze hebben de basisvorming opgegeven.

“Dat is incidenteel, denk ik. Ik ken geen andere scholen die het weigeren. Ik verwacht dat die houding verandert zo gauw de school meer vrijheid krijgt bij het afnemen van de toetsen. Het is een natuurwet: halverwege lijkt elk vernieuwingsproject uit te draaien op een mislukking, en willen mensen afhaken. Maar de basisvorming hebben we ingezet. En zolang de politiek niet zenuwachtig wordt en scholen vrijheid laat, denk ik dat die basisvorming tot wasdom komt. En kan uitgroeien tot iets heel moois.”

    • Wubby Luyendijk