Het cosmetisch-industrieel complex

Is make up luxe of noodzaak? Het laatste, althans volgens de United States War Production Board die in 1942 verklaarde dat cosmetica 'noodzakelijk en vitaal' zijn, en bijdragen aan de moraal en het welzijn van vrouwen - en dus ook aan dat van de mannen - in oorlogstijd. De Board legde de toevoer van de basisingrediënten weliswaar aan banden, maar niet de produktie van lipstick en poeder op zich. Cosmetica werden dus steeds schaarser, maar vrouwen waren inventief in het vinden van alternatieven. Geweekte rozeblaadjes zorgden voor gezonde blossen, schoensmeer kon dienst doen als mascara, houtskool werd oogschaduw.

Deze wetenswaardigheden zijn afkomstig uit The Face of the Century, 100 years of make up (uitg. Thames & Hudson), door Kate de Castelbajac. Een mooi geïllustreerd, tamelijk warrig historisch overzicht, dat leesbaar blijft door de Castelbajacs uitgangspunt dat het 20ste-eeuwse vrouwengezicht een spiegel vormt van een eeuw westerse cultuurgeschiedenis. Make up is zo oud als de beschaving, maar de onstuitbare groei van de cosmetica-industrie (in bijna honderd jaar uitgegroeid tot een wereldwijd complex waarin jaarlijks 20 miljard dollar omgaat) en de wijdverbreide acceptatie ervan maakt van de gezichtsdecoratie meer dan ooit een middel tot zelfexpressie, of je nu Kate Moss of Trees de Vries heet.

De Castelbajac legt verbanden tussen maatschappelijke verschijnselen als emancipatie, technische ontwikkelingen (de komst van de (kleuren)film bijvoorbeeld en de vindingen van Hollywoods make up maestro's), oorlogen, en het gebruik van make up.

Zo is het gezicht van de jaren twintig, als de eerste emancipatiegolf voorbijrolt, met geëpileerde wenkbrauwen, heldere oogschaduw, rouge in cirkels en felle lipstick provocerend, een toonbeeld van vrijgevochtenheid. In het volgende decennium domineert 'de gebeeldhouwde schoonheid'. Een beschilderd gezicht is nu vulgair; in de crisisjaren verschuilen vrouwen zich niet achter een frivool masker, maar benadrukken ze hun individuele onaantastbare vrouwelijkheid. Het naturalisme in Duitsland leidt tot een cultus van 'natuurlijke schoonheid' - wie van zichzelf geen gebruinde huid en gezonde uitstraling heeft gebruikt make up. Modebladen adviseren om méér make up te gebruiken dan vroeger, die je echter minder mag zien.

In de conformistische jaren vijftig komt de hang naar zekerheden tot uitdrukking in het gezicht “dat met zijn kunstmatige bleekheid en scherp getekende lijnen van vrouwen gewijde wezens maakte, toegewijd aan huis en haard, en tevreden met hun rol als schoonheidsobject.” Via de sixties - grote ogen en bleke lippen van de bloemenkinderen, en de seventies - punk - komt De Castelbajac uit bij 1980-1995, een tijd waarin alle snelle culturele veranderingen tot stilstand komen. De schoonheidscultuur reist terug door de decennia, en levert een postmodern amalgaam van stijlen. De nadruk ligt in deze periode op jong, en de ene na de andere wetenschappelijke vinding wordt gepresenteerd als dè remedie tegen verouderingsverschijnselen.

Behalve over vorm gaat The Face ook over de inhoud van alle potten: ingrediënten, samenstellingen, werkzaamheid. Dat er vooruitgang geboekt is (in de jaren dertig kwam het nog voor dat zuigelingen dood gingen omdat hun moeders loodhoudende crèmes en poeders gebruikten) staat buiten kijf. En dat cosmetica nog altijd geen wonderen verrichten, en veel meer beloven dan ze waar kunnen maken ook.