Groningers, Drenten, Stellingwervers, Sallanders en Achterhoekers, verenigt u; Leve het Nedersaksisch!

H.T.J. Miedema. 'De ontwikkeling der Oostnederlandse dialectstudie.' In: 'Oostnederlands. Bijdragen tot de geschiedenis en de streektaalkunde in Oost-Nederland.' Red. Prof.dr. K.H. Heeroma en dr. J. Naarding. 's-Hertogenbosch 1964.

Jo Daan. 'Eén Sont, zes regio's, zes spellingen'. In: 'Driemaandelijkse bladen' 40 (1988) 40-50.

Het Sont, een organisatie van streektaalverenigingen, heeft aan de Tweede Kamer erkenning van het Nedersaksisch gekregen in het kader van het Europese handvest voor regionale en minderheidstalen. Dit betekent dat de regering een 'globale inspanningsverplichting' heeft ten aanzien van het Nedersaksisch.

Staatssecretaris Kohnstamm is hiermee van zijn mening teruggekomen dat het Nedersaksisch een dialect van het Nederlands zou zijn. Die gelukkig verlaten mening is alleen gebaseerd op de betekenis van het woord 'dialect' in de volksmond en niet op meer exacte betekenissen die in de linguïstiek gebruikt worden.

Dialecten die binnen onze grenzen gesproken worden noemt men wel Nederlandse dialecten. Maar met dialecten ván het Nederlands wordt bedoeld dat deze uit het Nederlands ontstaan zouden zijn. Dat Nederlands zelf is echter een jonge taalvariant die spontaan is gegroeid uit Hollandse dialecten met invloed van Brabantse varianten. Daarna zijn er, als gevolg van bewuste taalbouw, normen ontstaan.

In wetenschappelijke studies over dialecten in het noordoosten van ons land komt het woord Nedersaksich zelden voor. Prof.dr. H.T.J. Miedema schreef in 1964, over de instelling van het Nedersaksisch Instituut aan de Universiteit van Groningen in 1953: 'De term Nedersaksisch, hoewel wetenschappelijk gezien allerminst gelukkig, had hiermee een officiële erkenning gevonden bij het rijk'. Dr. K.H. Heeroma, de eerste hoogleraar aan dit instituut, gebruikte meestal Oostnederlands voor varianten in Nederland, en Westvaals en Nederduits voor varianten aan de andere kant van de grens.

Over talen wordt gesproken of het mensen zijn. Ze leven en herleven, ze zijn stervend of dood, ze sterven uit alsof het families of bevolkingsgroepen zijn. Het Nedersaksisch werd en wordt beschouwd als stamvader, maar we kennen deze voorvader niet. Wel de spreektalen die zijn nageslacht zouden zijn. Hét Nedersaksich bestaat in deze tijd niet als taal, het is een conglomeraat van streektalen, in het noordoosten van Nederland en het noordwesten van Duitsland, die veel overeenkomst hebben. We weten niet of er vroeger een Nedersaksisch gesproken is, maar de grote overeenkomsten tussen die streektalen wijzen er op dat dit heel lang geleden het geval geweest kan zijn. 'Erkenning van het Nedersaksisch' betekent dus erkenning van een conglomeraat van taalvarianten. Er is overeenkomst met het Fries - ook die taal heeft verschillende dialecten. Het verschil is dat men in Friesland een overkoepelende schrijf- en omgangstaal gebouwd heeft.

Wat is het Nedersaksisch dan wel en wat zijn de varianten van dat conglomeraat? Tot voor kort verstond men onder een dialect een gesproken taal die vooral in de dagelijkse omgang gebruikt werd. Dat zijn deze varianten al lang niet meer, want in alle het Gronings, Drents, Stellingwerfs (gesproken op de grens van Friesland en Drente), Sallands, Twents, Achterhoeks en Veluws wordt geschreven, gedicht en gezongen. In beperkte mate worden ze ook bij officiële gelegenheden gebruikt.

Het gebruik is echter gering. En een taal die niet of voldoende gebruikt wordt, sterft uit. In het Nedersaksisch gebied blijkt dat weinig kinderen de streektaal thuis leren. Daarvoor worden steeds dezelfde motieven aangevoerd. De kinderen zullen bij sollicitaties later nadeel ondervinden van hun accent, het is onbeleefd om streektaal te spreken tegen iemand die deze niet kent, streektalen zijn minderwaardig en, tenslotte, kinderen die als eerste taal een streektaal spreken, zullen het Nederlands nooit goed beheersen.

In de tweede helft van deze eeuw wordt meer en meer getwijfeld aan de steekhoudendheid van deze motieven. De eerste drie zijn ontleend aan klasse- en standentegenstellingen in vroeger tijd. Het vierde motief hield steek toen kinderen Nederlands alleen op school hoorden en spraken, maar is zeker in de tegenwoordige tijd nonsens. Kinderen leren door naar radio en TV te luisteren zo goed Nederlands spreken dat ze zonder haperen van de streektaal in Nederlands kunnen overgaan. Ze zijn tweetalig, zoals ook het geval is met veel Friezen.

Het Nedersaksisch is geen minderheidstaal in eigenlijke zin, zoals dat wel het geval is met het Fries. Maar het kan het worden als de bevolking meewerkt en het in veel meer situaties gebruikt. Drs. H. Krosenbrink, vroeger directeur van het Staring-Instituut in Doetinchem, geeft in het laatste nummer van De Moespot, een tijdschrift van vier samenwerkende dialectkringen in Gelderland en Overijssel, een aantal eisen die daarvoor vervuld moeten worden. Die betreffen een algemene spelling, woordenboeken en een grammatica, onderwijs in de streektaal, één liedboek voor kerkdiensten met regionale variaties van teksten, een literatuur van niveau, toneel en cabaret op een hoger niveau brengen, de streektaal gebruiken voor zakelijke teksten, de media inschakelen. En de taal zal gebruikt moeten worden.

Hieruit is wel duidelijk dat er nog geen eenheid is. De ontwikkeling van de 'Nedersaksische beweging' geeft een inzicht in die verdeeldheid. Er was en is nog steeds een zekere naijver op de Friezen. De bekende K. ter Laan († 1963) heeft erop gehamerd dat er een Groninger professor moest komen omdat er ook een Friese professor was. Zo kwam het Nedersaksisch-Instituut tot stand. De Stellingwervers kwamen in touw omdat ze voor hun dialect dezelfde rechten wilden als de Friessprekenden voor het Fries. Ze zijn immers inwoners van dezelfde provincie. In andere provincies wordt de nadruk meer gelegd op het ontbreken van rijks- en provinciale subsidies voor de instituten die zich bezighouden met taal, naamkunde, geschiedenis, bodemkunde enz. terwijl de Fryske Akademie zoveel krijgt.

Een indruk van tekort aan samenwerking geeft het spellingsbeleid. Vanaf 1976 werden er zes spellingen gepubliceerd, in elk van de genoemde regio's één. Er zijn inderdaad wezenlijke verschillen, noodzakelijk uit het oogpunt van klank- en vormstructuur, maar veel verschillen zijn onbelangrijk.

Normaal

Toch zijn er redenen die de aanvrage voor ondersteuning van streektalen verantwoord maken. Ruim 20 jaar geleden kwam de popgroep Normaal die liedjes in de streektaal zingt, in de schijnwerpers van de publiciteit. In en buiten de Nedersaksische regio hebben andere groepen het voorbeeld van Normaal gevolgd. In het Volkskundig Bulletin van oktober jl. publiceerde Louis Peter Grijp een overzicht van de streektaalmuziek, dat op een enquête in Nederland en Vlaanderen gebaseerd is.

Voor een herleving van de streektalen die het bovengenoemde conglomeraat vormen zullen de eisen van Krosenbrink gevolgd moeten worden, nl. de mouwen opstropen, zich laten horen en er wat aan doen. En dat niet alleen door de besturen van het Sont en de daarbij aangesloten verenigingen, maar door een talrijke achterban waarvan de bereidheid tot activiteit onbekend is.

Onbekend ook is in welke opzichten het proces van spontane taalverandering de samenwerking in de kaart speelt. De geleidelijke aanpassing van dialecten aan elkaar heeft zogenaamde regiolecten doen ontstaan. Onze kennis van deze grotere gehelen is beperkt. Dr. Cor Hoppenbrouwers publiceerde resultaten van enkele onderzoekingen van dit proces in Groningen en Noord-Brabant (1990). Voor het grootste deel van het Nedersaksisch ontbreken dergelijke gegevens nog steeds, afgezien wat kleine onderzoeken. Alleen in Friesland heeft men de vinger aan de pols gehouden. Kort geleden werd een verslag van het gebruik van het Fries in 1994 gepubliceerd. De vergelijking met vroegere uitkomsten wekt de indruk dat de strijd voor het behoud van het Fries resultaat heeft gehad.

De toestand in het Nedersaksische gebied is ongunstiger dan die in Friesland ooit geweest is: meer taalverschillen, meer taalgebruikers verdeeld over vijf provincies, meer concurrentie van andere talen, niet alleen van Nederlands maar ook van het Engels dan toen de Friezen hun acties intensiveerden. De vorming en het karakter van een Nedersaksische minderheidstaal zal slechts ten dele beheersbaar zijn en ook afhankelijk van invloeden en ontwikkelingen, politiek, sociaal en economisch, buiten de eigen streek, zoals met alle talen het geval is. Met de erkenning hebben de 'Nedersaksers' het voordeel van de twijfel gekregen.

    • Jo Daan