Een man die het ook niet zo goed weet

Voorstelling: Goudreinetten, door George Groot. Muziek: Wim Boor en Sabeth Pieterson. Regie: Aike Dirkzwager. Gezien: 27/2 in Het Oude Raadhuis, Hoofddorp. Tournee t/m 18/5.

Als een kind - of een poesje - te snel bij de moeder wordt weggehaald, gaat het mis. Een kind dat te weinig contact met de moeder heeft gehad, gaat nare trekken vertonen. Dat is in de jaren zeventig vastgesteld door een Amerikaanse psycholoog, zegt George Groot, en daar moest het vanavond maar eens over gaan. En vervolgens vertelt hij, in stukken en brokken, dat hij twee weesjongetjes heeft geadopteerd en voor hen heeft getracht een begrijpende, affectieve vader te zijn. Een teer verhaal is het, maar het tegendeel van pathetisch. Zoals hij het vertelt, met vallen en opstaan, zo had het inderdaad kunnen gaan.

George Groot heeft als cabaretier geëxcelleerd in monologen die het publiek meenemen in een redenering, die eerst volkomen logisch lijkt en pas te laat verraden dat ze een verkeerde kant opgaan. Ook schreef hij liedteksten die met schaarse, maar scherp afgetekende woorden een situatie in de kern kunnen raken.Hier is hij een ander: een man die het allemaal óók niet zo goed weet. Hij probeert niet te vervallen in de fouten van anderen, hij wil alleen maar goed doen en hij vertelt daarover op een keuvelende toon die nog het meest doet denken aan de genoeglijke conversatie met een goede vriend over de aardige en minder aardige aspecten van het vaderschap.

Een conférence is het niet; opzettelijke grappen ontbreken. Alleen een enkele zinswending brengt een glimlach van herkenning teweeg. Ik keek ernaar en kon niet ontkomen aan een vergelijking met zijn eerdere cabaretteksten. Die waren heel precies geformuleerd, terwijl hij nu aarzelend en informeel zijn zinnen kiest. Het is alsof George Groot ditmaal niet echt greep op zijn thema heeft gekregen en daarom ook de heldere formulering niet heeft gevonden. Slechts op één moment, als hij naspeelt wat een mevrouw hem vertelde over een brouille met haar dochter, vallen alle woorden exact op hun plaats.

Maar uitgesproken mooi vind ik de manier waarop hij af en toe, in de loop van zijn verhaal, een liedje van Dietrich of Zarah Leander begint te zingen, of het intens bezorgde Mein Sohn van Brecht en Eissler. In zijn timbre trilt dan een navrant soort weemoed mee, wiegend bij de piano van Wim Boor en de viool van Sabeth Pieterson, en toch niet sentimenteel - bijna breekbaar, net als de rest van de voorstelling.

    • Henk van Gelder