Echte luxe

Wat is luxe, échte luxe? Voor de straatarme hongerlijder is dat een volle maag, het dondert niet waarmee. Voor de weldoorvoede gezinskok anno 1996 is het voedsel dat redelijk smaakt en vooral zonder moeite klaar te maken is. Voor de doorgewinterde gourmet is het dat zeldzame hapje tintelende sevruga. Kortom, luxe is niet zomaar méér dan je gewend bent, maar béter dan je gewend bent.

Computergebruikers worden beschouwd als armoedige hongerlijders. Dat zie je aan de opvattingen van softwareontwikkelaars over luxe. Luxe is, denken zij, vooral méér. Vandaar dat programma's tot wanstaltige omvang uitdijen. Elke nieuwe release van een tekstverwerker, rekenblad of administratieprogramma omvat weer meer megabytes, weer tientallen nieuwe functies en mogelijkheden, tot gekmakens toe.

Voor verfijnder, op de individuele smaak afgestemde genoegens is nog altijd geen plaats. Niet op de particuliere, maar eigenlijk ook niet op de zakelijke markt. Een kapitaalkrachtig bedrijf kan zich in principe natuurlijk maatwerk permitteren, maar betaalt daar een flinke prijs voor. Immers, een maatpak is in aanschaf al duur, maar ook als de aangeschafte software later moet worden vermaakt of vervangen omdat de eigenaar er uitgroeit, heeft een hooggespecialiseerde, dus dure digitale kleermaker daar weer veel werk aan.

Vandaar dat ook in de zakelijke automatisering steeds vaker met standaardpakketten gewerkt wordt. Maar eigenlijk zijn die voor-elk-wat-wils pakketten gekkenwerk. Het is alsof je een vulpen en een blocnote wilt kopen, en naar huis gestuurd wordt met een complete zetterij plus papierfabriek. Wil je niet steeds tot je knieën door menukeuzes moeten waden die je toch nooit gebruikt, dan kan dat alleen door ze onbereikbaar te maken, zoals Cristo de Rijksdag achter plastic verborg. En ondanks al dat overbodige geweld blijkt vaak toch nog juist die éne vurig gewenste functie te ontbreken. Dat heb je nu eenmaal met standaardspullen.

Toch zou daarin in de nabije toekomst wel eens verandering kunnen komen, door ontwikkelingen in een heel andere hoek: de elektronische snelweg. Nu is die snelweg nog vooral een verzameling Ikea-achtige postorderbedrijven. Je roept een computer aan, bestelt een artikel, en het wordt spoorslags aan je opgestuurd. Maar wil je de ontvangen gegevens ook daadwerkelijk kunnen bekijken en eventueel bewerken, dan moet je ze eerst nog met je eigen gereedschap in elkaar zetten. Ontvang je een plaatje of een filmpje, dan moet er op de ontvangende computer een programma staan dat de ontvangen gegevens in een kleurig schermbeeld kan omzetten. Voor een stuk van een rekenblad moet je het juiste spreadsheetprogramma op je computer hebben staan, en zo voort. Dat een netwerkfiets, een browser, zomaar tekst en beeld op het scherm tovert, komt doordat programma's voor een paar vormen van gegevens erin zijn ingebouwd: HTML, een nogal primitieve manier van tekst opslaan die specifiek is voor het World Wide Web, en twee of drie typen plaatjes. Maar er zijn duizenden verschillende soorten gegevens, en even zovele programma's. Dat iemand die allemaal op zijn computer heeft, hoe groot die ook is, is ondenkbaar. Het risico bestaat dus altijd, dat je met onleesbare gegevens komt te zitten. Vandaar dat de applet bedacht werd. Applets zijn kleine programmaatjes die met de gevraagde gegevens meegestuurd worden, en ze bij aankomst onmiddellijk in leesbare vorm monteren. Ongeveer zoals een goede meubelhandel een monteur meestuurt die de bestelde kast bij aflevering voor je in elkaar zet. Ze zijn er nog niet echt, maar het zit eraan te komen.

Nog iets verder in de toekomst liggen applets die andersom werken. Die in opdracht van gebruikers op het net gegevens gaan zoeken en eventueel bewerken. Uiteindelijk kun je je voorstellen dat er voor iedere denkbare bewerking van gegevens een applet zal bestaan. Het echt mooie van die ontwikkeling is, dat programma's hun centrale plaats verliezen, ten gunste van datgene waar het om gaat: gegevens. Je start niet meer een programma, maar vraagt alleen nog maar gegevens op. Wat er allemaal nodig is om die op het scherm te zetten, wordt buiten beeld bepaald, door een horde van verschillende samenwerkende applets, ieder met zijn eigen kleine specialisme. Een ware mierenhoop die onzichtbaar zijn werk doet. De gebruiker heeft alleen nog maar te maken met een document op het scherm, of hij nu schrijft, leest, rekent, tekent of nog iets anders doet. Een computer gaat daarmee weer een stuk meer lijken op een gewoon stuk papier en een potloodje. Daarbij maakt het in principe immers ook niet uit wat je op het papier zet. Aparte teken-, reken- en schrijfpotloden bestaan niet, er zijn alleen wat graduele verschilletjes. En ook op ruitjespapier kun je tekenen, terwijl dat in een spreadsheetprogramma echt niet te doen is.

Dat het om een serieuze ontwikkeling gaat, zie je aan de nieuwste professionele printer van Tektronic, de Phaser 500. Daar krijg je geen speciale printersoftware meer bij waarmee je hem kunt instellen en in de gaten houden. Je praat met die printer via een netwerkbrowser. De printer is een document geworden! Het is even wennen, maar eigenlijk een heel natuurlijke gedachte. In het dagelijks leven praten we ook altijd met mensen van vlees en bloed, of we nu met 'de drukkerij', 'de gemeente' of 'de buurman' overleggen.Nog een stapje verder kun je het einde van de mastodontische standaardpakketten zien aankomen. Die zullen verdrongen worden door flexibel samen te stellen kuddes soepel samenwerkende applets, die precies alle bewerkingen op een document uitvoeren waarvoor nu het een standaardpakket dienst doet, ook los van de elektronische snelweg. En mooier nog, wil je morgen iets nieuws, dan hoeft er geen nieuw en omvangrijk programma aangeschaft te worden, maar moeten we alleen de juiste applets zien te verschalken. In de winkel, of natuurlijk via het net.

    • Rik Smits