Vrede bestaat niet

In de nadagen van het franquisme, in het voorjaar van 1975, bezocht ik Spaans Baskenland, op verzoek van Amnesty International. De ETA was er voor de zesde maal sinds zijn oprichting in de vijftiger jaren in geslaagd de dictatuur te provoceren, en de noodtoestand heerste in stad en land. In drie maanden tijd waren acht politiemannen door de Baskische nationalisten vermoord. In San Sebastián en Bilbao patrouilleerde de politie in alle hoofdstraten, en toch was elk vrij stukje muur beschilderd met 'GORA ETA!' leve de ETA!, of met de Chinese karakters die ontstonden als de franquistische verfploegen de ETA-leuzen onleesbaar maakten.

In beide steden nam ik contact op met advocaten die zich inspanden voor de tientallen mensen die door de politie in het wilde weg waren opgepakt op verdenking van terroristische praktijken. Op de politiebureaus en in de kazernes werd gemarteld. Een van die advocaten was Enrique Múgica, bovendien een vooraanstaand lid van de toen nog illegale Spaanse socialistische partij. Hij verborg zijn afkeer van de 'gekgeworden bourgeoiskinderen' niet, maar het was nu eenmaal zijn werk hen te verdedigen, zei hij grijnzend. Het zat in de familie, zijn moeder was een gevluchte Poolse jodin, al voor de oorlog socialist, en zijn broer Fernando, ook advocaat, diende dezelfde zaak. Voor dat plichtsgevoel werden de advocaten beloond met constante pesterijen door de autoriteiten, en met aanslagen op hun kantoren door een geheimzinnige bende die onder de naam guerrillero's van Christus Koning opereerde. Het was een publiek geheim dat achter die naam een heet mengsel van criminelen en politie schuilging. De luxaflex voor zijn ramen was door de kogelregens alle kanten uit gaan staan.

Franco stierf in de volgende winter, het land maakte een korte overgangsperiode door, en in 1977 werden de eerste vrije verkiezingen gehouden. Nog weer een paar jaar later won de socialistische partij de verkiezingen, en trad Felipe González aan als minister-president. In een van zijn regeringen nam Enrique Múgica zitting als minister van justitie. Baskenland kreeg een zekere mate van zelfbestuur, maar de ETA liet de kersverse democratie niet met rust. De ene na de andere politiechef werd in de eerste helft van de jaren tachtig geliquideerd, en Baskische ondernemers werden het slachtoffer van ontvoering en afpersing. Een nieuwe wrekersbende deed van zich horen, de GAL, gespecialiseerd in het achtervolgen en doden van 'etarras'. Wederom werd vermoed dat militaire en politieke autoriteiten op de hoogte waren.

De 'vuile oorlog' werkte, een tijd lang. Tot een jaar of wat geleden kon men denken dat de dagen van de ETA geteld waren. Maar wie nu door Baskenland of Navarra reist stuit weer op politiecontroles en roadblocks, en de muren schreeuwen weer GORA ETA! en INSUMISIOA!, 'rebellie!'. Formeel gesproken heerst er geen noodtoestand, maar binnen en buiten Baskenland worden aanslagen gepleegd, en er zijn berichten dat op de politiebureaus weer gemarteld wordt. De afgelopen anderhalf jaar kwam met horten en stoten een gerechtelijk onderzoek naar de praktijken en organisatie van de GAL op gang. Terwijl het net zich steeds nauwer rond de politici in Madrid sloot, en duidelijk werd dat de drijvende kracht van de vuile oorlog tegen de ETA dicht in de buurt van Felipe González gezocht moest worden, hervatte de ETA zijn moordende werk.

Op 6 februari jl. werd voor zijn huis, voor de ogen van zijn zoon, Fernando Múgica neergeschoten door de ETA. In het bijzijn van de minister-president aan het graf zwoer de overlevende Enrique dat hij niet zou vergeten, en niet zou vergeven. Twintig jaar geleden kon alleen het medeleven van mensen als deze twee broers leden van de ETA behoeden voor de tortuur en de worgpaal van Franco.

    • Samuel de Lange