Vermeers verlangen naar rust, ruimte en soberheid

Van 1/3 t/m 2/6. Open: alle dagen van 09.00 uur tot 18.00 uur, do. en vr. tot 21.00 uur. Kaarten alleen via VVV-kantoren en in beperkte mate bij het museum. Met Pasen (7/8 april) en Pinksteren (26/27 mei) en op een aantal donderdagen en vrijdagen is het museum tot middernacht geopend. Catalogus: ƒ 57,50, geb. ƒ 85,-

DEN HAAG, 28 FEBR. Wat lange tijd niet voor mogelijk is gehouden, is sinds gisteren een feit. Van Johannes Vermeer zijn in het Mauritshuis in Den Haag 22 van diens 35 nagelaten 17de-eeuwse werken van heinde en verre bijeengebracht. De afwezige stukken mochten niet reizen door hun te kwetsbare conditie of omdat eigenaren, zoals H.C. Frick in New York, dat ooit hebben bepaald. Maar tweederde van zijn oeuvre brengt opwinding genoeg teweeg.

Terwijl vele veiligheidsbeambten alles wat los en vast zat in de gaten hielden, kabbelde gisteren de Haagse voorjaarszon over de loodgrijze daken van het Gezicht op Delft, het 'mooiste schilderij ter wereld', meende Marcel Proust. Door de restauratie valt weer op hoe ook op het doek zelf de zon, onzichtbaar vanachter wollige wolken, de verderweg gelegen huizen in lichtelaaie zet. In een andere zaal kijkt het minuscule Meisje met de rode hoed (Washington) van tussen de zaalgordijnen schichtig naar haar pendant, het Meisje met de fluit.

Dit laatste werk is het enige dat niet aan Vermeer, maar aan zijn 'omgeving' wordt toegeschreven. Het punthoedje van de fluitiste lijkt van papier; haar gezicht is scherp in licht en schaduw neergezet, terwijl Vermeer dat clair-obscur juist zo dempte, en ze draagt wit bont, dat - de meester onwaardig - als watten is geschilderd.

Hoe hingen de Vermeers vijftien kilometer verderop bij de 17de-eeuwse Delftse bakker Hendrick van Buyten aan de wand? Keek de rentenierende Pieter Claesz van Ruijven, Vermeers mecenas, ook tussen een deur door naar de Kantwerkster (Parijs), peinzend in de weer met haar klosjes en helrode garen? Stond datzelfde virginaal, soepel vanuit de pols gemarmerd, misschien om de hoek van het Mauritshuis in de muziekkamer van Vermeers promotor Constantijn Huygens?

Johannes Vermeer, zoon van een Delftse kunsthandelaar/herbergier en hoofdman van het Sint Lucasgilde, heeft ons met vele vragen opgezadeld. Geen schets- of dagboek is opgedoken, alleen veiling- en boedellijsten en wat notities van een passant, wiens nauwelijks leesbare handschrift nu in de vitrines ligt.

Wie was zijn leermeester eigenlijk? Carel Fabritius, misschien. Hoe zag hij eruit? Niemand die het weet. Kende hij zijn Delftse collega's Jan Steen, Pieter de Hooch en Paulus Potter? Twijfels genoeg. Waarom stapte hij zo rigoureus over van die religieuze en mythologische thema's - uitgewerkt zonder een schijntje van die latere, geraffineerde stofuitdrukking, zoals de tentoonstelling overtuigend aantoont - naar stadsgezichten en voorname interieurs? Misschien gaf zijn mecenas de voorkeur aan deze genretaferelen. Misschien trad hij in de voetsporen van Fabritius, wiens volmaakte Puttertje ook niet meer is dan een alert vogeltje op een leeg doek. Misschien vervolmaakte hij wat zijn minder ruimdenkende collega's in hun moralistische huishoudens er al te dik bovenop legden.

Wat men wèl weet is dat hij een ontwikkeld man was, die met kostbare pigmenten in glacerende lagen werkte, die met draadjes zijn perspectivische lijnen trok, die feilloos de effecten van kleur op kleur kende, die alom gerespecteerd werd en zijn doeken duur verkocht. Hij stoeide ook met requisieten, zoals een aanvullende documentaire-tentoonstelling onthult. In verf werden stoelen aan- en weggeschoven, landkaarten gehalveerd, muziekinstrumenten verdoezeld.

Wie een etage hoger in het Mauritshuis even een melkmeid van Gabriel Metsu (1629-1667) bekijkt, een guitig dametje tussen haar potten en pannen, zal Vermeers stille leegten en ingetogenheid nog meer waarderen dan voorheen. Metsu kwastte de rommelige werkelijkheid, Vermeer had er lak aan. Hij liet liever zoveel te raden over, dat men zich na drieënhalve eeuw nog steeds het hoofd wil breken over de bedoelingen van een in wit gestoken, briefschrijvende dame, wier geduldig afwachtende dienstbode zo haar eigen, schijnbaar ondeugende gedachten heeft.

Wat te denken van De Muziekles, uit het bezit van de Britse vorstin, dat alleen al vanwege de gewaagde, Mondriaaneske compositie een bezoek waard is? Een contrabas en een tafel met een bont kleed houden ons op afstand van een in koolzwart geklede heer, die streng een feestelijk geklede virginaalspeelster gadeslaat. Welke liefde bindt hen? 'Muziek is een metgezel van vreugde, een medicijn voor verdriet', staat op de klep van het instrument. Maar is er niet meer aan de hand? En zo ja, waarom staat die heer zo streng te zijn?

De twee andere virginaalspeelsters van Vermeer houden elkaar in de laatste zaal, aan de laatste wand, gezelschap. De jongste van hen, misschien wel een van Vermeers elf kinderen, kijkt op met wat het begin kan zijn van een glimlach. Buiten, achter het blauwe gordijn, is het aardedonker. Het is tijd om naar bed te gaan. Of speelt ze liever nog even verder voor een geliefde die denkbeeldig achter ons staat? Niet lang na dit doek zou Vermeer, 42 jaar oud, overlijden.

Terwijl de toeschouwer aan Vermeers discretie tornt, glijdt de blik over soepel satijn, stoppelige tafelkleden en een hypergepolijste viola de gamba. Soms stroomt er een romig, gelig licht over de dingen, soms worden ze kil aangeraakt, verschillen die zich nu nauwkeurig blootgeven. In de hoeken van de Delftse kamers laat elke wasmand, tafelpoot of tegelplint zich kennen, want 'Der liebe Gott steckt im Detail', aldus een catalogus-citaat. Ook schaduwwerking nam Vermeer dus met een korrel zout.

Tussen dat licht en de dingen bewegen zich de dames, want heren - De Geograaf (Parijs) daargelaten - spelen geen noemenswaardige rol. Geen enkele vrouw dringt zich op, zoals ook Vermeer zich, ondanks al zijn virtuositeit, niet aan ons opdringt. Als 'een intermediair' bracht hij vol genegenheid over hoe 'juffers' volledig en ontroerd kunnen opgaan in hun bezigheden. Want welke vrouw zou niet even met die linten in het haar, met dat zachte, blauwe jasje om de schouders, schrijvend aan die ene tafel of staand bij dat ene raam zo volledig van Vermeer willen zijn? Wie verlangt niet naar de rust, de ruimte, de sobere schoonheid en de eeuwige, doordeweekse continuïteit, waarvoor zo'n Delftse binnenkamer model lijkt te staan? Vermeer moet dat verlangen begrepen hebben. Of is het de toeschouwer die hem zo graag als zodanig wil begrijpen?