Studie: Turken en Marokkanen vinden dat ze integreren

GRONINGEN, 28 FEBR. Marokkanen en Turken denken zelf dat ze integreren in Nederland. De Nederlandse bevolking denkt daar anders over. Die vindt dat deze allochtonen erg veel waarde hechten aan de eigen cultuur en weinig aan contacten met Nederlanders en dat er eerder sprake is van separeren dan intergreren.

Dit schrijft de sociaal-psychologe K. Prins in haar proefschrift Van gastarbeider tot Nederlander waarop zij morgen aan de Groningse Universiteit promoveert.

Voor haar proefschrift ondervroeg Prins 93 Marokkanen en 203 Turken. Van de ondervraagde Marokkanen zei 41 procent te integreren, waarbij zowel belang wordt gehecht aan contacten met Nederlanders als aan behoud van de eigen cultuur. Bijna de helft verklaarde contacten met de Nederlandse bevolking zelfs belangrijker te vinden dan behoud van de eigen cultuur. Van de ondervraagde Turken zegt 64 procent te integreren (inburgeren in de Nederlandse samenleving) en 28 procent te assimileren (vernederlandsen).

Prins stelt vast dat de autochtone bevolking de wil tot meedoen in de Nederlandse samenleving helemaal niet ziet. “De Nederlanders denken juist dat Marokkanen en Turken zich afzonderen en de nadruk leggen op het behoud van de eigen cultuur”, aldus Prins. Ze verklaart het verschil in waarneming uit de weinige contacten die Nederlanders met allochtonen hebben. “Ik heb een representatieve steekproef gehouden onder 1.800 Nederlanders. Daaruit bleek dat driekwart van de ondervraagden bijna nooit contact heeft met Marokkanen en Turken.” Daarentegen hebben Marokkanen en Turken in het dagelijks leven wel veel contact met Nederlanders.

Uit de steekproef blijkt ook dat Nederlanders een positiever beeld hebben van Turken in Nederland dan van Marokkanen, zegt Prins. “Ze schrijven Marokkanen meer afwijkend gedrag toe en schatten hun sociaal-economische positie lager in.”

Turken delen die opvatting enigermate. Gevraagd naar de verschillen tussen Marokkanen en Turken in Nederland wijzen zij op hun eigen hogere graad van emancipatie, Europese achtergrond en betere scholing. Zij hekelen de hogere criminaliteit onder Marokkaanse jongeren en de kindermishandeling in Marokkaanse gezinnen. De Marokkaanse respondenten schatten de sociaal-economische positie van Turken ook hoger in. Zo vinden ze dat Turken een fase verder zijn, minder worden gediscrimineerd, vaker werken en een grotere seksuele vrijheid hebben. Wel menen Marokkanen dat ze zelf meer dan Turken open staan voor andere culturen en beter Nederlands spreken.

Prins schrijft dat gastarbeiders uit de eerste generatie, die eind jaren zestig naar Nederland werden gehaald, niet geneigd zijn naar Nederlanders te kijken. “Doen ze dat wel, raken ze er vaak door ontmoedigd”, aldus Prins in haar proefschrift. De leden van de eerste generatie trekken zich terug in hun cultuur en onder hun eigen landgenoten. De tussengeneratie, de kinderen van gastarbeiders die als tieners naar Nederland zijn gekomen in het kader van gezinshereniging, vergelijkt zich meer met Nederlanders en streeft ernaar hogerop te komen. Zo vertelt een Marokkaanse vrouw uit Rotterdam dat de vrouwen die zij kent een voorbeeld nemen aan Nederlandse vrouwen in de jaren vijftig, waar het een gezamenlijk streven naar emancipatie betreft.

Wel wijst Prins erop dat als - vooral - Marokkanen zich geheel aan Nederlanders spiegelen, hun eigenwaarde daaronder lijdt. Zij zullen streven naar dezelfde maatschappeljke status als een Nederlander, maar krijgen te maken met vooroordelen en discriminatie, waardoor ze die status nauwelijks zullen bereiken, zegt Prins in haar proefschrift. Turken en Marokkanen die integreren en dus contact houden met hun achterban, hebben daar minder last van.