Soep d'r in

De kunst wordt steeds meer toegepast, stond vorige week in een Engels blad. Leuke zin, toevallig nog vertaalbaar ook; hij ging er over dat een Siciliaanse hoteleigenaar aan kunstenaars opdracht had gegeven om de kamers van zijn hotel op te sieren.

Zoiets is natuurlijk een aardig idee, en doet het bovendien goed in de publiciteit. Een maand geleden werd in diverse media precies hetzelfde gemeld over een hotel in het centrum van Amsterdam. Een kunsthotel, enig toch? Voor verveelde fotoredacties is een plaatje van een bizar gedecoreerde hotelkamer weer eens wat anders, en de ambitieuze hotelier profiteert ervan. Zo zie je waar kunst allemaal goed voor is.

Maar wáár is die zin over toegepaste kunst daarom nog niet. Want het decoreren van een gegeven kamer waar de bedspiralen gewoon van Auping komen en de douchebak van de Sfinx, is helemaal geen toegepaste kunst, laat staan dat het een bijzondere betekenis heeft. Toegepaste kunst is iets ontwerpen wat tegelijk mooi is en bruikbaar, liefst in serie te maken, zo mogelijk niet te duur, kortom, kunst waaraan eisen worden gesteld. Grenzen zelfs.

Sinds de uitvinding van de moderne kunstenaar wordt nogal moeilijk gedaan over toegepaste kunst. Het is eigenlijk een tegenstrijdigheid geworden, iets als een foto van een spook. De moderne kunstenaar is een wezen dat geen grenzen kent en ze zeker niet kan respecteren; hij respecteert uitsluitend zijn eigen genie. Zijn opdrachtgevers vindt hij dom en praktisch nut, daar spuugt hij op.

Voor gebruiksvoorwerpen hebben wij tegenwoordig dan ook ontwerpers, die minder noten op hun zang hebben. Zij geven vorm aan nuttige zaken als tandpastatubes en kruiwagens. Iets hoger in aanzien staan de vormgevers van overbodige en/of te dure voorwerpen zoals meubels en briefopeners, vaak designers geheten. Die mogen al een beetje kunstenaar zijn. Als dingen maar genoeg geld kosten, zijn de kopers bereid allerlei ongemak voor lief te nemen. Bijvoorbeeld vazen die niet waterdicht zijn, of lampen die je omver blaast.

Maar als echte kunstenaars zich ermee gaan bemoeien, is het eind helemaal zoek. Gek genoeg hebben museummensen en galeriehouders een onbedwingbare neiging om beeldend kunstenaars te vragen hun kunst op iets toe te passen. Doe iets met het thema 'schoenen', zeggen zij, of: ontwerp een tafelkleed. De kunstenaar gaat aan het werk en komt terug met een paar schoenen waarvan de ene aan de binnenkant met bont is bekleed en de andere met punaises. Of hij komt met een tafelkleed, sierlijk geplooid als een meisjesjurkje uit de jaren vijftig, een en al bobbels. Het voorwerp is niet te gebruiken: goddank, de kunstenaars-eer is gered.

Vroeger zou zo'n kunstenaar zijn onthoofd.

Nu ja, niet in de achttiende eeuw, toen de hier afgebeelde snoekenterrine werd gemaakt. Het is een ontzagwekkend serviesstuk, half tafeldecoratie, half gebruiksvoorwerp, bij uitstek geschikt om gespreksstof te leveren op stijve dinertjes. Je wordt vanzelf vrolijk van het blauwgrijs glanzende vissenbouwsel met het kwieke staartje in top. Ga maar kijken in Museum Boymans van Beuningen.

Wat doet het ertoe, of de ontwerper van deze terrine nu een kunstenaar was of niet? Het voorwerp, rond 1760 gemaakt in de Delftse aardewerkfabriek De Porceleyne Schotel, is een variatie op het thema 'hele dieren op tafel'. Dat was mode in die tijd, je zag ook wel eens een theepot in de vorm van een aapje, of twee papegaaien als olie- en azijnstel. Dingen die aan alle criteria voor kitsch voldoen, en daar toch helemaal geen last van hebben.

Als je in het grote Spectrum Visboek kijkt, zie je dat de snoeken nog precies lijken ook. Er staat zelfs bij dat de snoek zijn prooi dwars in de getande bek neemt, net als die op het deksel. En zoek je in een achttiende-eeuws kookboek een recept voor snoek, dan lees je dat het dier moet worden gekookt met de staart in de mond.

Kortom, alles klopt aan de snoekenterrine. De inventiviteit van de maker wordt aan alle kanten begrensd door de werkelijkheid. En door het nut, want er kan natuurlijk ook soep in deze terrine. Niet omdat de ontwerper bang was voor onthoofding: hij vond een terrine waar soep in kan zelf ook leuker.