Reorganisatie Duitse krijgsmacht; Frans-Duits plan voor 'opt-out' bij EU-defensie

BONN, 28 FEB. Frankrijk en Duitsland vinden dat individuele leden van de Europese Unie het recht moeten hebben om in bepaalde gevallen niet mee te doen aan politieke of militaire EU-acties.

Wel moeten zij zich in zulke gevallen onthouden van politieke obstructie en akkoord gaan met de financiering van crisisbeheersings-interventies uit EU-middelen.

Over een voorstel van deze strekking, dat zij eind volgende maand aan de dan in Turijn te beginnen EU-regeringsconferentie (IGC) willen voorleggen, hebben de Franse en Duitse ministers van buitenlandse zaken, Hervé de Charette en Kinkel, gisteren in Freiburg overeenstemming bereikt. Het voorstel, dat volgens Kinkel de blijvende Frans-Duitse motorfunctie voor de Europese integratie illustreert, is een compromis tussen uiteenlopende opvattingen in beide landen over besluitvorming in de EU. Het is ook een compromis voor zover het rekening houdt met speciale historische en grondwettelijke voorwaarden die Duitsland stelt aan deelneming in militaire interventie-acties.

In het algemeen neemt Duitsland immers niet met grondtroepen deel aan acties in landen die in de Tweede Wereldoorlog onder Duitse bezetting hebben geleden, zoals het vroegere Joegoslavië. Bovendien heeft het Duitse Constitutionele Hof uitgesproken dat Duitse militairen alleen buiten het Navo-gebied mogen worden ingezet na uitdrukkelijke en voorafgaande toestemming van de Bondsdag. Hoewel dat alles niet wegneemt dat het nauwelijks toeval lijkt dat (ook) gisteren in Bonn nieuwe legervormingsplannen uitlekten van minister Volker Rühe (defensie, CDU) waarin naast besparingen op het Duitse “verdedigingsleger” extra ruimte wordt gemaakt voor crisisbeheersings- en snelle-reactie-eenheden van 56.000 man.

Het idee van “constructieve absentie” van EU-leden jegens in de Europese Raad besloten interventies, of andere stappen op het terrein van defensie of buitenlands beleid, moet voorkomen dat een land tegen zijn wil wordt verplicht tot deelneming terwijl de noodzakelijke eenheid van beleid van de EU dan toch zoveel mogelijk bewaard blijft. Het voorstel is een mix tussen de Duitse wens om in de Raad zonodig met meerderheidsbesluiten te kunnen werken en de Franse afkeer van het risico op die manier “overstemd” te raken op het gebeid van het Europese buitenlands- en defensiebeleid. Volgens Hervé de Charette maakt het gevonden compromis het mogelijk, ook als de EU na de eeuwwisseling van 15 tot, zeg, 30 leden zou zijn uitgebreid, om besluiten te nemen zonder steeds van een consensus-verplichting afhankelijk te zijn.

De Franse en Duitse ministers benadrukken in hun vier pagina's tellende “richtlijnen” voor een gemeenschappelijke Europese buitenlandse- en veiligheidspolitiek dat de Westeuropese Unie (WEU) in de toekomst moet dienen als veiligheidsinstrument van de EU. De WEU moet als “Europese zuil in de Navo” en “op middellange termijn” ook in de EU opgaan. Wat zou betekenen dat nieuwe, “stabiliserend” genoemde, Zuideuropese EU-leden alsook nieuwe Oosteuropese EU-leden, die zich “in een transformatieproces bevinden”, dan als het ware automatisch tevens tot de geïntegreerde WEU gaan behoren.

De legervormingsplannen voor het jaar 2.000, die minister Rühe vertrouwelijk aan de defensiecommissie van de Bondsdag stuurde, lagen gisteren vrijwel direct op straat. In zijn vernieuwde plannen, nodig alleen al doordat de afgelopen jaren stevig op zijn budget is gekort, maakt Rühe meer ruimte voor materieel-investeringen, mede ten behoeve van snelle-reactie-eenheden van 56.000 man die het hart van het Duitse verdedigingleger moeten gaan vormen.

In de nieuwe opzet wil Rühe voor deze eenheden 37.000 man (drie brigades) van het leger, 12.300 van de luchtmacht (zes gevechtssquadrons, twee voor de luchtafweer en drie voor transport) en 4.300 van de marine (zes flotilles) beschikbaar hebben. Van het personeel van deze eenheden moet minstens 70 procent uit beroepspersoneel of langverbanders bestaan.

Rühe, die vorig jaar de toezegging kreeg dat er tot de eeuwwisseling niet meer aan zijn budget (ruim 50 miljard mark 's jaars) zal worden getornd wil extra geld vinden door bezuinigingen op de omvang van de Bundeswehr, die hij straks op 338.000 militairen en 137.000 man burgerpersoneel wil brengen (nu: 340.000 militairen op papier, feitelijk 320.000, burgerpersoneel 142.000). Vooral op het leger wil hij bezuinigen, het aantal legerdivisies, in '91 nog 38, daalt daar tot 22, waarvan er vier in vredestijd niet met soldaten worden gevuld.