Markt moet Europese paradox oplossen

Europese landen hebben er een handje van de kosten van hun welvaartspeil af te wentelen op toekomstige generaties. Roel Janssen bepleit ingrijpende aanpassingen, in financiële èn institutionele zin. Want bezuinigingen zonder hervormingen zijn een recept voor sociale onrust.

De uitvoering van de Ziektewet gaat naar de particuliere verzekeraars en de uitzending van de voetbalcompetitie naar een commerciële sportzender. In februari 1996 heeft de verhouding tussen markt en staat, tussen publiek en privaat, in Nederland een schokbehandeling gekregen. Ook al zijn de verschillen groot: bij de Ziektewet heeft de overheid een collectieve regeling losgelaten en grotere verantwoordelijkheid gelegd bij burgers en bedrijven, in het geval van de voetbalcompetitie gaat het om een commerciële concurrentieslag waarbij de overheid zich vertwijfeld opwerpt als hoedster van een uitgehold publiek bestel.

Meer marktwerking en herschikking van de collectieve en individuele verantwoordelijkheden, zo stond het in 1994 in de Regeringsverklaring van het links-liberale kabinet. Daarmee heeft Nederland zich op het Europese continent min of meer toevallig in de voorhoede geplaatst van de herziening van de sociaal-economische arrangementen, zoals die in de naoorlogse periode zijn uitgebouwd. Alle Europese landen worstelen daarmee. Zie de sociale onrust die eind vorig jaar over Frankrijk trok toen het kabinet-Juppé een aantal bezuinigingen op de sociale zekerheid voorstelde. Zie ook de vertwijfeling die zich in Duitsland manifesteert over de houdbaarheid van een economisch model dat met een keiharde munt, dure CAO-afspraken en de financiële last van een uit zijn bretels gegroeide verzorgingsstaat leidt tot de export van kapitaal en arbeid.

De hoge arbeidskosten vormen de kern van het sociaal-economische probleem waarmee Europa worstelt. Ze vormen tevens het snijpunt van markt en staat. De marktkrachten onttrekken zich aan de van overheidswege opgelegde sociale stelsels en bijkomende lasten. Deze terugtrekkende beweging, samengevat als mondialisering, zet zich door: er zíjn goedkopere produktiemogelijkheden en er zíjn bereikbare regio's waar de economische perspectieven gunstiger zijn. Dat is één.

Twee is de vergrijzing. Deze dwingt rijpe industrielanden tot een bezinning over meer uitgeven of meer besparen. Bij een vergrijzende samenleving moeten in de toekomst de lasten van de zorg voor ouderen èn de betaling van de schulden die in het verleden zijn opgebouwd worden opgebracht door een relatief afnemende werkzame bevolking. In zo'n situatie moet een overheid tijdig voor een spaaroverschot zorgen. Want een financieringstekort is niets anders dan uitgestelde lastendruk.

De overheden hebben de keuze tussen afscherming en afstoting: ofwel de grenzen en de deuren gaan dicht, ofwel collectieve regelingen worden herzien. Dat onder de verzamelnaam 'marktwerking' in Nederland ook de schreeuwerige cultuur van de casino's, de pseudo-verzelfstandiging van overheidstaken, het gedoogbeleid van de coffeeshops en de platte strijd om de voetbalrechten vallen, is betreurenswaardig. Commercie is wat anders dan marktwerking en de uitwassen moeten niet verward worden met de essentie. Die is dat de welvaartsstaten van West-Europa niet ontkomen aan hervormingen.

De OESO, de studieclub van vijfentwintig geïndustrialiseerde landen, heeft vorig jaar in haar Employment Outlook twee grafieken opgenomen die het Europese probleem in de eenvoud van een paar lijnen samenvat. Terwijl in de Verenigde Staten sinds 1970 de reële lonen nauwelijks zijn gestegen en de werkgelegenheid enorm is toegenomen, zijn in de Europese Unie de lonen enorm gestegen en is de werkgelegenheid nauwelijks gegroeid. Amerika heeft grosso modo gekozen voor meer werk, Europa voor meer inkomen.

“De afgelopen twintig jaar heeft Europa geen netto banengroei gekend”, zei de vrijgevochten Harvard-econoom Jeffrey Sachs onlangs op het jaarlijkse managementsymposium in Davos met het gemak waarmee Amerikanen over Europe praten. “Europa verkeert in grote problemen. Een omvangrijke sociale welvaartsstaat staat haaks op de dynamiek van de wereldeconomie. Europa moet dringend zijn welvaartsstaat herzien, de sociale zekerheid privatiseren, de arbeidsmarkt versoepelen en de macht van de vakbonden beteugelen. Europa is de hoge lasten-regio van de wereld.”

Sachs, die enige faam geniet als adviseur in radicale hervormingsprocessen, heeft een onderzoek verricht naar de economische condities van welvaartsgroei in ontwikkelingslanden. Zijn bevindingen hebben grote waarde voor Europa, al was het maar als waarschuwing voor wat zich afspeelt in de dynamische 'opkomende landen' van Azië en Latijns Amerika.

Snelle economische groei, aldus Sachs, doet zich voor in landen die openstaan voor de wereldmarkt, gebruikmaken van hun relatieve voordelen, beschikken over een kleine overheid en bijgevolg een lage belastingdruk kennen, hoge besparingen hebben doordat de overheid geen tekorten heeft en de burgers aangespoord worden tot particuliere pensioenbesparingen, en die tenslotte gekenmerkt worden door een behoorlijk functionerend rechtsstelsel.

Een paar voorbeelden van economisch succesvolle landen: Chili heeft al twaalf jaar een begrotingsoverschot, in Hongkong houdt een modale werknemer netto 91 procent van zijn brutosalaris over.

Zet daar de gegevens van Nederland eens tegen af: twintig jaar, sinds de één-procentsoperatie van 1976, worstelt de overheid met de terugdringing van het financieringstekort en dit bedraagt nog altijd drie procent van de nationale economie. De lastendruk ligt boven de vijftig procent en collectieve sector legt beslag op meer dan de helft van de economie. Dat is weliswaar lager dan de zestig procent die oud-minister De Vries van het CDA ooit als 'Bert-norm' voorschreef bij wijze van gezond economisch recept, maar Nederland bevindt zich binnen de Europese Unie nog altijd aan de bovenkant van het collectivisme. Nederland is in sterke mate een overdrachtseconomie. Ook, met bijvoorbeeld de fiscale aftrek van de hypotheekrente, voor de midden- en hogere inkomens.

Het is politiek en maatschappelijk buitengewoon lastig om de arrangementen van de verzorgingsstaat te veranderen. Daaraan liggen de belangen van gevestigde organisaties, de vrees van burgers dat hun rechten worden aangetast en de huiver van politieke partijen voor afvallige kiezers ten grondslag. Op zichzelf zijn die overwegingen begrijpelijk.

Politici in de Noordwest-Europese verzorgingsstaten onderhouden hun cliëntelisme niet via openbare werken of overheidsbaantjes, zoals in Zuid-Italië, maar via uitkeringsregelingen. In Nederland zijn de uitkeringsgerechtigden, de AOW'ers incluis, samen goed voor ruim een derde van het aantal Kamerzetels. Aanpassingen, weten de grote partijen uit ervaring, gaan ten koste van de stemmen van de achterban.

De politieke oplossing waarvoor Nederland deze kabinetsperiode heeft gekozen is om hoogte en duur van de uitkeringen in stand te houden en te sleutelen aan organisatie en uitvoering van de sociale zekerheid. Deze aanpak loopt niet langs de regels van de neo-klassieke economische school die er van uitgaat dat de curves van vraag en aanbod de prijs bepalen. In de sociale zekerheid en op de arbeidsmarkt is bewust een sociale bodem in de prijzen gelegd.

De aanpassingen moeten daarom komen van de organisaties. Dit is de benadering vanuit de institutionele economie: institituties en hun belangen vormen een vaak onderschat, maar daarom niet minder belangrijk element in de economie dan het prijsmechanisme. De machtsstrijd over de uitvoering van de Ziektewet tussen de bedrijfsverenigingen (vakbonden en werkgevers) en de verzekeraars, maar ook het gevecht om de uitzendrechten van de voetbalcompetitie tussen de bonzen van de omroep, de KNVB en het bedrijfsleven vormen daarvan treffende voorbeelden.

De Europese Unie zoekt naar een strategie voor meer werkgelegenheid, maar vermijdt aanbevelingen om de institutionele kaders te hervormen. In de eisen voor deelname aan de Economische en Monetaire Unie (EMU) staan regels voor de overheid om haar financiën min of meer op orde te hebben. De disciplinerende werking die van de EMU-criteria uitgaat is groot en bij naleving ervan zijn de Europese landen met hun overheidsfinanciën terug bij de situatie van begin jaren zeventig, toen de verhouding tussen overheid en markt scheef begon te lopen.

Loslaten van de EMU-regels zou hooguit tijdelijk enige economische stimulans opleveren. De paradox van Europa is namelijk dat de werkloosheid, ondanks decennia van overheidstekorten, zo hardnekkig is omdat deze structureel van aard is. Financiële vrijgevigheid op kosten van de volgende generatie heeft dan geen enkele zin. Anderzijds zijn bezuinigingen, zoals nu met een oog op de EMU worden doorgevoerd, zonder structurele hervormingen in de verhouding tussen overheid en markt een gegarandeerd recept voor sociale problemen.

“Tot nu toe hebben slechts enkele Europese landen vooruitgang geboekt op het gebied van sociaal-economische hervormingen”, schreef de OESO vorig jaar. Nederland doet het, gezien ook de enorme moeite die aanpassingen in omringende landen kosten, in Europees perspectief niet slecht. Anders dan in Duitsland en Frankrijk groeit hier de werkgelegenheid. Dit is overigens niets om zelfvoldaan over te zijn, al was het alleen maar omdat Nederland veel had in te halen. Het is evenmin een aansporing om het hervormingsproces te stoppen. De dynamische rest van de wereld staat immers niet stil.

    • Roel Janssen