Kleine borsten en een guerrilla

Unni Lindell, De zuigzoen. Vert. Emmy Weehuizen-Deelder, Uitg. Lemniscaat, 148 blz., ƒ 27,50. John Marsden, Morgen toen de oorlog begon. Vert. Molly van Gelder, Uitg. Jenny de Jonge, 336 blz., ƒ 27,75. Remco Ekkers, De geur van tijd. Ill. Timon Hagen, Uitg. Leopold, 38 blz., ƒ 19,90.

Veertienjarigen hebben het vaak te druk met leven om nog te lezen. Verliefdheid, seks, ruzie met je ouders en vooral veel gedachten over wat leeftijdgenoten van je vinden slokken alle tijd op. Ook wordt de keuze voor een boek steeds moeilijker. Weg is de overzichtelijk ingedeelde jeugdbibliotheek, om plaats te maken voor bergen 'grote-mensen-boeken', waarvan aan de kaft nauwelijks valt af te zien waar ze over gaan. En dan begint het vreselijke lezen voor de lijst. Mokkend verdiepen pubers zich gedwongen in romans waarvan het onderwerp hen vaak nauwelijks weet te boeien: een hoofdpersoon worstelt zich los uit zijn calvinistische milieu of mijmert over de jaren vijftig.

Al een jaar of vijfentwintig doen jeugdboekenuitgevers hun best de kloof te dichten tussen kinderboek en roman met zogenaamde 'overbruggingsboeken,' die gaan over een jongere zoals de beoogde lezer. In het overgrote deel van deze jeugdromans valt zo'n hoofdpersoon ten prooi aan de meest vreselijke problemen. Onlangs verscheen bij Lemniscaat, een uitgeverij met een lange traditie in dit soort boeken, De zuigzoen van de Noorse Unni Lindell. Hoofdpersoon Stella heeft een dode moeder en een vader met een nieuwe vriendin. De nieuwe vriendin trekt met haar zoontje bij hen in. Tegelijkertijd laat Stella's beste vriendin haar in de steek en wordt Stella ongelukkig verliefd. Tot overmaat van ramp heeft zij kleine borsten en, al gauw, een psychiater.

De emoties vliegen je om de oren. Dat is misschien inderdaad wat veertienjarigen (vooral meisjes) nog wel weet te boeien, maar het is jammer dat in boeken als De zuigzoen de nadruk doorgaans meer ligt op het onderwerp dan op de stijl. Ook voor humor is weinig plaats, de lezer bezwijkt haast onder de overvloed aan problemen. Dit soort snelgemaakte, slordige 'kommer- en kwellectuur' maakt helaas nog altijd het grootste deel uit van wat er speciaal voor jongeren wordt geschreven.

Uitgeefster Jenny de Jonge tracht, met wisselend succes, jeugdromans met wat meer literaire kwaliteit uit te geven. Ze gaan over emoties en ze zijn spannend, maar moeten daarnaast ook nog goed geschreven zijn. Zo verscheen in 1994 de uitstekende jeugdroman in brieven Lieve Tracey, lieve Mandy van de Australische John Marsden, een verrassend verhaal over twee penvriendinnen die doorsnee jongeren lijken te zijn, maar dat uiteindelijk niet kunnen volhouden.

Bij Jenny de Jonge verscheen nu ook Marsdens tweede boek Morgen toen de oorlog begon. Een groep pubers gaat een paar dagen kamperen in de Australische wildernis. Bij thuiskomst ontdekken ze dat hun ouders verdwenen zijn. Al snelblijkt dat het tijdens hun vakantie oorlog is geworden. Noodgedwongen trekt de groep zich terug op hun kampeerplek en begint een soort guerrilla tegen de nieuwe machthebbers. De tot elkaar veroordeelde jongeren vragen zich natuurlijk van alles af. Moet iedereen evenveel moed tonen? Kunnen zij elkaar misschien maar het best beschouwen als hun nieuwe familie? Iedereen wordt verliefd op iedereen en er vormen zich stelletjes.

Helaas beschrijft Marsden de angst en de hoop van de personages zo uitgebreid dat ze nauwelijks meer invoelbaar zijn. Het is alsof hij de lezer niets te raden durfde te laten, waardoor het boek te 'vol' is en geen vaart heeft: 'Om nu uit het duister te stappen vereiste een soort moed die ik nooit eerder had hoeven bewijzen, laat staan dat ik het bestaan daarvan had vermoed. Ik moest mijn geest en lichaam afzoeken naar iets onbekends in mij. Ik voelde dat ik ergens een kracht in me had waardoor ik zoiets kon, waarvan ik nooit geweten had dat ik die in me had. Als ik die nu maar kon vinden, zou ik daarop kunnen aansluiten en misschien, heel misschien zou ik dan de angst kunnen ontdooien die mijn lichaam verstijfde.' Ook in Morgen toen de oorlog begon krijgt humor weinig kans.

Naast jeugdromans bestaat er ook poëzie die zich expliciet op jongeren richt. Volgens Remco Ekkers van wie onlangs de derde dichtbundel voor pubers verscheen, hebben kinderen in de eerste drie klassen van het voorgezet onderwijs recht op hun eigen poëzie, die de ruimte tussen Schmidt en Faverey vult. Ekkers wil 'op een volwassen manier met volwassen middelen dichten vanuit het kind over kinderlijke zaken.' Of het dat in De geur van tijd gelukt is, is de vraag. In de gedichten worden eenvoudige observaties verwoord, een vlieg die zich wast op de theemuts, lammetjes in de wei, omgekapte bomen aan de kant van de weg. In plaats van een emotie op te roepen blijven deze beelden toch een beetje saai. Minder dan in zijn eerste bundel Haringen in de sneeuw, waarvoor hij in 1985 de Zilveren Griffel kreeg, is Ekkers erin geslaagd die doorsnee dingen zo te beschrijven dat ze verbazing wekken. Ik vraag me af of de onderkoelde toon van deze poëzie jongeren aan zal spreken.

Wat vooral mist in Ekkers contemplatieve regels is humor, net als in het vaak zo loodzware problemenproza voor jongeren. Middelbare scholieren lezen tegenwoordig graag de boeken van Ronald Giphart, die seks, gevoelens en humor bieden. En daar draait het leven toch om, zeker als je veertien bent.

    • Judith Eiselin