Geestverruiming naar landsaard

Het artikel van de Franse ambassadeur, Bernard de Montferrand over het Nederlandse drugsbeleid, in deze krant van 26 februari, houdt het midden tussen een smeekbede, een waarschuwing en een beleefd geformuleerd bevel.

Zie toch in dat drugs slecht zijn voor de persoonlijke gezondheid en de veiligheid van de samenleving!, vraagt de ambassadeur dringend. Weet dat u zich met uw drugsbeleid verder verwijdert van het Europa dat u zo graag tot een eenheid wilt zien groeien, waarschuwt hij. Laten wij daarom samen aan een oplossing werken, luidt het diplomatiek verstrekte bevel. Want uit het voorgaande wordt wel duidelijk dat de oplossing die de geachte schrijver dringend aanbeveelt, heel sterk op de Franse lijkt.

Er zijn ook Fransen die er anders over denken. In de Volkskrant van 21 februari staat een artikel 'Drugsbeleid van Frankrijk is meer een geloof', van de Franse socioloog Alain Ehrenberg. Hij beschrijft de “irrationele opstelling” van de Franse overheid, de tegenstelling tussen goed en kwaad zoals die in de beschouwing van het vraagstuk tot uitdrukking komt. “Of het nu om softdrugs gaat of om heroïne, er wordt over gesproken in confessionele termen als 'morele stuurloosheid' en 'ontvluchting van de realiteit'. Zelfs een klein trekje aan een joint wordt als een doodzonde beschouwd. Verslaafden worden òf als deerniswekkende schepsels afgeschilderd, òf als duivelse wezens.” In de rest van het artikel gaat de schrijver na hoe dit soort opvattingen is ontstaan en wat de Franse overheid eraan kan doen om zelf weer met beide benen op de grond te komen. Voor de Nederlandse lezer bevat dit niets nieuws. Het gaat over het aanbevelenswaardige van de legalisatie en de gedoogpolitiek waarmee we hier vertrouwd zijn. Het artikel is dan ook oorspronkelijk voor het Franse publiek bedoeld; voor het eerst gepubliceerd in Libération.

De wetenschap van het drugsbeleid wemelt van hypothesen. Zou het kunnen zijn dat ook het Nederlandse drugsbeleid 'meer een geloof' is, of minder, maar in ieder geval niet zonder het een en ander dat een geloof eigen is? In beschouwingen waarin onze politiek van gedogen met een groeiende drang tot legaliseren wordt verdedigd, valt me soms een wat religieus aangezette toon op. Een joint of stickie is veel gezonder dan een sigaret. Volksstammen zijn aan alcohol ten gronde gegaan, maar de vreedzame weedrokers ontwaken met benijdenswaardige gelukzaligheid uit hun lichte roes om zich dan de hele werkweek weer volgens de vaderlandse normen te gedragen. Bij caféruzies worden om de haverklap mensen neergestoken. In een coffeeshop heb je daar nog nooit van gehoord. De gewone drank en tabak maken jaarlijks duizenden slachtoffers. Het kwaad zit niet in de soft drugs maar in de criminalisering. Dus wordt de weed gelegaliseerd - dan is daarmee de misdaad een zware klap toegebracht. Daarom ligt het voor de hand dat Nederland het voortouw zal nemen. Degenen in het buitenland die dezelfde mening zijn toegedaan, zullen zich daardoor gesteund weten, en tenslotte helpt dit kwaad zich praktisch vanzelf de wereld uit.

Voor deze zienswijze bestaat een stortvloed aan wetenschappelijke bewijzen. Er zijn ook tegenstanders die met evenveel bewijzen komen. Wie veel stickies rookt breekt zijn geheugen af. Wezenloos stoned zitten de leerlingen in de klas te staren. Er bestaan rapporten over blijvende beschadigingen. Zo wordt het publiek van twee kanten met bewijzen bestookt. Waar eindigt de wetenschap, waar begint het geloof? De felheid van de tegenstelling staat er garant voor dat we op deze vraag geen onbetwijfelbaar antwoord krijgen, hoezeer de gelovigen van alle gezindten ook volhouden dat ze dit allang hebben gegeven.

Wat staat er dan wel vast? Dat geen geestverruimend middel in welke vorm dan ook de gebruiker gezonder, verstandiger of werkzamer heeft gemaakt. (“Wie drinkt zal niet schrijven” - Remco Campert). Als drank en tabak slecht voor de mensen zijn, is dat nog geen reden om andere middelen die objectief ook slecht zijn, aan te bevelen. Op dit punt komt een bijzondere kant van het Nederlandse geloof tevoorschijn. Buiten de orde van de overtuigde gebruikers vindt niemand de softdrugs aanbevelenswaardig, maar de Nederlandse tolerantie verplicht ons tot het gedogen. Dat klinkt nobel. Kort gezegd is het de manier om toe te staan wat bij de wet verboden is tot het ogenblik waarop zoveel mensen van het toestaan last krijgen dat de wet weer wordt toegepast. Het gedogen is het doen van een voorwaardelijke belofte; dat is een innerlijke tegenspraak. Daaruit ontstaan dan de situaties waarmee niemand zich feitelijk raad weet, zoals die op 'Perron Nul' en aan de Heemraadssingel in Rotterdam of in de Amsterdamse Oude Hoogstraat en Damstraat. Dat zijn situaties waarin iedereen slachtoffer is.

Dat alles zou uitsluitend tot de Nederlandse problematiek horen als niet ons gedogen langzamerhand wereldberoemd was geworden. Van heinde en ver komen de soft- en ook de harddruggebruikers naar Nederland om zich te laten gedogen. Daar kunnen we trots op zijn of niet; het gebeurt. Dit is het punt waarop het gedogen tot buitenlandse politiek wordt. Voor legalisering zal dat nog sterker gelden. Goedkope hasj trekt meer klanten. Producenten stellen zich erop in. De nederwiet beroemt zich er al op, veelbelovender te zijn dan de bollen en de tomaten. Als in Nederland de hasj wordt gelegaliseerd of als de auto's de goedkoopste ter wereld worden, komt iedere liefhebber naar Nederland om hasj of een auto te kopen. Niet alleen de individuele liefhebber maar ook de groothandel die met de strengste reglementen raad weet. Deze onbewezen, niet zo wetenschappelijke voorspelling neem ik voor mijn rekening. Meer auto's maakt het buitenland niet bezorgd; meer hasj wel. Binnen de grenzen zal de criminaliteit misschien dalen - ik moet het nog zien - maar het land wordt een mekka voor inkopers die het buitenland voorzien.

De verdedigers van het liberale beleid wijzen weleens op de Prohibition, de poging van de Amerikanen om het land van alcohol te bevrijden. Daaraan hebben ze het georganiseerde gangsterdom te danken. Het valt niet te ontkennen maar het voorbeeld deugt niet. De Verenigde Staten waren een droog eiland in een zee van drank. Wij zouden bij wijze van spreken een nat eiland zijn in een woestijn van droogte. Men verwart import en export.

Het drugsbeleid is, grotendeels per ongeluk, als gevolg van een onontwarbaar complex van geloof en wetenschap, een van de weinige gebieden waarop Nederland nog een zelfstandige buitenlandse politiek voert. Misschien is dit het enige. Geen wonder dat we daar confrontaties krijgen met het buitenland dat een ander complex koestert.

De vraag is: wat wordt er gekozen? Een radicale 'gidsfunctie', waarbij we op drugsgebied in feite een geloofsoorlog aangaan; of een gewone, met compromissen gehandhaafde verhouding, waarin men elkaars geloof en wetenschappelijke inzichten tot de toon van een normaal gesprek tempert? Ik herinner me een groot Frans staatsman: Pierre Mendès-France. In zijn premierschap, van juni 1954 tot februari 1955, heeft hij twee heldhaftige initiatieven genomen. Het eerste heeft succes gehad: er is een eind gekomen aan de oorlog in Indochina. Het tweede, zijn campagne om de Fransen minder wijn en meer melk te laten drinken, is mislukt. Daarmee was zijn carrière als nationaal bestuurder afgelopen. Het aantal mensen dat in Frankrijk aan cirrose lijdt is nog altijd een veelvoud van wat er in andere landen aan die leverkwaal bezwijkt. Toch zou je de Beaujolais primeur niet willen verbieden.

    • H.J.A. Hofland