Een onhistorisch filmscenario met 168 voetnoten; Oliver Stone's omstreden 'Nixon' verveelt zelden

Nixon. Regie: Oliver Stone. Met: Anthony Hopkins, Joan Allen, James Woods, Bob Hoskins, Ed Harris, Powers Boothe, Paul Sorvino, Mary Steenburgen, Larry Hagman. In 15 theaters.

Twee maanden na de Amerikaanse première komt Oliver Stone's Nixon in de Nederlandse bioscopen. Het rumoer is de film vooruitgesneld. De dochters van de in 1994 overleden Richard Milhous Nixon verwijten Stone dat hij hun vader als een dronkeman en een onmens heeft afgeschilderd. Historici voeren felle debatten over Stone's beeld van de recente Amerikaanse geschiedenis en concluderen dat de feiten nog meer geweld is aangedaan dan in JFK (1991). Psychologen opperen dat de regisseur in de paranoïde, door iedereen gehate ex-president vooral zichzelf heeft geportretteerd. En Stone zelf onderstreept in interviews dat hij zijn historisch huiswerk niet heeft afgeraffeld (“mijn scenario heeft 168 voetnoten”), maar dat hij Nixon in de eerste plaats heeft willen presenteren als de held uit een Griekse tragedie.

Inderdaad, Nixon is een speelfilm, geen geschiedschrijving. Dat Stone als historicus niet de persoon is van wie je een tweedehands auto zou kopen, was al duidelijk sinds JFK, waarin hij gebruik maakte van roddels en halfzachte theorieën om te bewijzen dat president Kennedy door het militair-industrieel complex vermoord werd omdat hij de Amerikaanse troepen uit Vietnam wilde terugtrekken. De belangrijkste vraag bij het beoordelen van Nixon is dan ook niet 'Is het waar wat Stone vertelt?', maar 'Is het een goede film?'

Hoe fascinerend Stone's visie op de 37ste president van de Verenigde Staten ook is - de film duurt meer dan drie uur en verveelt zelden - één ding is zeker: Nixon is geen JFK. Je verlaat de bioscoop niet duizelend van het tempo, de stortvloed aan beelden en de schijnbaar onweerlegbare complottheorieën die nog lang blijven verontrusten. Nixon heeft veel van de kenmerken van JFK: de bezeten cameravoering, het heen-en-weer schieten tussen heden en verleden, en het door elkaar gebruiken van kleur en zwart-wit, fijn en grofkorrelige beelden, documentair en nagespeeld materiaal. Maar Stone's nieuwste film is minder zenuwslopend en lijkt in zijn Citizen Kane-achtige opzet conventioneler - al kan dat ook komen doordat we inmiddels aan Stone's stijl gewend zijn.

Als JFK een rit in de achtbaan was, dan is Nixon een bezoek aan het spookhuis. Stone doet er tenminste alles aan om die indruk te wekken. De film begint en eindigt in augustus 1974, net voordat de in leugens verstrikte hoofdpersoon gedwongen wordt om het presidentschap op te geven. Temidden van dreigende schaduwen en met op de achtergrond donder en bliksem zit de mensenschuwe Nixon in de Lincoln Room van het Witte Huis - whiskydrinkend en spelend met de belastende tapes die zijn ondergang zijn geworden. De president wordt geplaagd door de geesten uit zijn verleden, en de kijker volgt hem in zijn herinneringen: zijn armoedige jeugd in Whittier, California, zijn nietsontziende politieke carrière als rechtse Republikein, zijn buitenlandse successen als president, en vooral zijn liegen en bedriegen in de Watergate-affaire.

Stone tekent Nixon als een wraakzuchtige, machtsbeluste, pathologisch liegende man wiens politieke handelen bepaald wordt door frustraties. De dood van zijn twee broers, die het mogelijk maakte dat hij rechten ging studeren, gaf hem een levenslang schuldgevoel; zijn eenvoudige opvoeding bezorgde hem een minderwaardigheidscomplex tegenover de gevestigde politieke orde van 'Harvard-going East- coast cocksuckers', waarvan de Kennedy's het symbool waren. Vooral John F. Kennedy, van wie hij na een desastreus televisiedebat in 1960 de presidentsverkiezingen verloor, is hem een obsessie. Hij haat hem, maar hij zou tegelijkertijd dolgraag zo geliefd zijn als hij. “Als ze naar jou kijken,” zegt hij aan het eind van de film tegen het Witte-Huisportret van zijn rivaal, “dan zien ze wie ze willen zijn. Als ze naar mij kijken, dan zien ze wie ze zijn.”

Stone's Nixon is een onsympathieke held, niet alleen een kruising tussen Macbeth en Citizen Kane, maar ook het zielige jongetje dat gepest is op het schoolplein en later zijn plaaggeesten terugpakt. Dat hij geen karikatuur wordt, ja zelfs af en toe begrip en sympathie oproept, is te danken aan de fabelachtige Anthony Hopkins. Met zijn gorgelende Amerikaanse accent, zijn valse glimlach, zijn verkrampte mimiek, zijn zenuwachtig tonggelik en zijn constant zwetende bovenlip, doet hij vergeten dat hij eigenlijk niet op Nixon lijkt. Hij speelt overtuigend de man die door iedereen gehaat wordt (zelfs de Witte Huis-hond mag hem niet!) en die langzaam ieder contact met de werkelijkheid verliest - totdat hij over zichzelf alleen nog maar in de derde persoon enkelvoud kan praten.

Hopkins' spel - en dat van onder anderen Joan Allen (Pat Nixon), Paul Sorvino (Kissinger in de gedaante van Dr. Strangelove) en Bob Hoskins (een doodenge J. Edgar Hoover) - camoufleert ook de feilen van het scenario: de soms clichématige dialogen, de kwartjespsychologie, de veel te kwistig rondgestrooide details over de Amerikaanse politiek van de jaren zestig en zeventig. Nixon is een allesbehalve perfecte film. Maar wie zich door Hopkins' talent en Stone's enthousiasme laat meeslepen, krijgt niet eens de tijd om zich dat te realiseren.