Voorbeeld

Mijn nichtje Ina was volmaakt. Ze droeg witte kraagjes en smetteloze jurken, waarover langs haar rug een deugdzame vlecht hing, en omdat ze onveranderlijk achten en negens op haar rapport had en foutloos piano speelde, werd ze mij herhaaldelijk ten voorbeeld gesteld. Dat nam niet weg dat ze tegenover onze familie een beleefde, bijna volwassen afstandelijkheid bewaarde en van haar zusje Hannie en mij, die vijf jaar jonger waren, niet de minste notitie nam. Toch keken wij met ontzag naar haar op, al beschouwden we haar als een wezen uit een andere wereld, daar ze nooit buiten speelde, geen vriendinnen had en altijd thuiszat, behalve zondags, wanneer ze met haar ouders en Hannie naar de diergaarde ging.

Het sprak vanzelf dat ze, na de meisjesschool van juffrouw Van Riet in de Schoterbosstraat, naar de HBS op de hoek van de Bergsingel zou gaan, aangezien deze school slechts een paar minuten van haar huis aan de Noordsingel verwijderd was. Vijf jaar lang trok ze zich met haar huiswerk in haar kamer terug, tot ze met schitterende cijfers voor het eindexamen slaagde, waarop ze onmiddellijk de vlecht liet afknippen en haar haar liet onduleren, met aan elke kant van de scheiding een lokje over haar voorhoofd. Ook spoedde zij zich voortaan naar dansles bij mevrouw Klip-Koopmans, waar ze Frans leerde kennen, met wie ze het genoten onderricht algauw in praktijk bracht door zich op zondagmiddag naar de thé dansant in de sociëteit van de diergaarde te begeven.

Ondertussen was Ina secretaresse bij Mees en Zoonen geworden en had het gezin van mijn tante zich dankzij de succesvolle activiteiten van mijn oom (hij deed iets in granen) in een herenhuis aan de Mathenesserlaan gevestigd. Ze kregen er een dienstbode voor dag en nacht, een serre met rieten meubelen, en een salon met een palm en een gespijkerd kleed, waar de drukbezochte receptie plaatsvond toen Ina en Frans zich verloofden. Terwijl Hannie en ik met de petits fours rondgingen, namen zij tussen de bloemstukken de gelukwensen in ontvangst, die tevens als felicitatie golden voor het heuglijke feit dat Frans door zijn firma naar Batavia werd gezonden, waar Ina zich bij hem zou voegen zodra de goede vooruitzichten die hem in de tropen waren toegezegd verwezenlijkt zouden zijn.

Gedurende de drie jaar dat ze op elkaar wachtten schreven ze elkaar iedere week, en in diezelfde tijd moest mijn tante, wegens het overlijden van haar man, met haar twee dochters het royale pand aan de Mathenesserlaan verlaten om zich met een eenvoudige etage op de Beukelsdijk tevreden te stellen. Daar werd ten slotte in een bescheiden vertrek de trouwreceptie gehouden, en stond Ina als 'handschoentje' in een blauwsatijnen japon naast haar schoonvader, die zijn zoon, zoals gebruikelijk, bij het burgerlijk huwelijk op het stadhuis had vertegenwoordigd.

Een dag nadat haar boot de haven van Tandjong Priok was binnengelopen, trouwde Ina in het wit over in de kerk, en sindsdien circuleerden haar brieven in de familie, die zich vergaapte aan de kiekjes van haar huis (met een hele rij bedienden op de voorgalerij), haar tuin, haar auto en haar zoontje op de arm van een baboe. Hun vakanties brachten ze door in de bergen bij Bandoeng, en toen Frans zijn eerste verlof kreeg kwamen ze met de Sibajak naar Holland, waar ze in de toekomst, als hij gepensioneerd zou zijn, zonder zorgen zouden kunnen leven.

Maar daarvoor bleek de toekomst niet toereikend. Want kort na hun terugkeer in Indië brak de oorlog uit en verdronk Frans met tweeduizend andere krijgsgevangenen in het ruim van het Jappenschip dat op weg naar Sumatra in de Javazee werd getorpedeerd.

Enkele jaren later kwam Ina met haar zoontje voorgoed naar het vaderland. Ze leek kleiner geworden en liep wat gebogen, en omdat haar gezondheid te wensen overliet, trok ze bij haar moeder in op de etage aan de Beukelsdijk, waar ze behalve Hannie en mij - wij woonden inmiddels niet meer in Rotterdam - niemand wilde zien en de kleine Frans eenzaam tussen twee weduwvrouwen opgroeide.

Wanneer ik naar haar toe ging, trof ik haar nooit anders aan dan in de stoel bij de haard, en altijd weer kreeg ik hetzelfde verhaal te horen over Frans, de oorlog en het Jappenkamp, waarbij ik de blik van mijn tante ontweek, die in een ondoorgrondelijk zwijgen thee inschonk.

Zodra haar zoon het huis had verlaten om in Leiden te gaan studeren, verviel Ina in de gewoonte om pas laat in de middag op te staan en zich niet meer aan te kleden. Voortaan ontving ze mij in een kleine, door halfgesloten gordijnen verduisterde zijkamer, waar ik op de rand van haar bed, onder haar trouwfoto uit Batavia en met een elektrisch straalkacheltje aan het voeteneind, naar het overbekende relaas zat te luisteren. Maar toen ze een paar keer was gevallen en haar moeder, die nog steeds voor alles zorgde, honderd werd, grepen Frans en Hannie in en kreeg mijn tante een flatje in een bejaardenhuis en Ina een plaats in een verpleeginrichting. Daar bezocht ik haar de eerste jaren in de zogenaamde huiskamer, te midden van een koperen kooi met één parkiet, het blinde scherm van een niet functionerend televisietoestel en een onoverzichtelijk aantal rolstoelen.

Tegenwoordig weigert ze er nog te komen, behalve om te eten, en brengt ze de dag door naast haar bed in het totaal verlaten slaapzaaltje dat ze 's nachts met drie andere vrouwen deelt. Vanaf haar stoel heeft ze het uitzicht op een wijd stuk hemel met meeuwen die rakelings langs het grote raam kantelen, en die haar kennen, zoals ze zegt. Tot het tijd wordt voor mijn trein, zit ik bij haar naast het nachtkastje en het bed en laat de woordenstroom van de gebeurtenissen in het voormalige Indië over me heen gaan. Als ik wegga en me bij de deur omdraai, zwaait ze niet, maar blijft met afgewend hoofd naar buiten kijken - naar de meeuwen.