Voor europessimisme is geen reden

De Europese Unie staat voor grote uitdagingen, op economisch, politiek en militair gebied. Maar volgens Stuart Eizenstat, scheidend Amerikaans ambassadeur bij de Unie, is er geen reden tot pessimisme. De EU blijkt nog steeds een goed idee. Als de Unie niet bestond, moest zij onmiddellijk worden uitgevonden.

Ik trad in 1993 aan als een enthousiast voorstander van de Europese Gemeenschap en nu, bij mijn vertrek, ben ik een nog enthousiaster voorstander van de Europese Unie. Maar Europa staat wel voor moeilijke economische en politieke opgaven.

Het streven naar meer werkgelegenheid en economische groei is van cruciaal belang voor vrijwel alles wat de EU wil bereiken. Wat er gebeuren moet is helder als glas. De bruto-loonkosten moeten omlaag; de arbeidsmarkten moeten flexibleler worden; er moet worden geïnvesteerd in opleiding en scholing; en ten slotte moeten de financieringstekorten bij de overheden geleidelijk maar onverbiddelijk omlaag.

Uitbreiding van de EU naar Midden-Europa en de Oostzeelanden, en met Cyprus en Malta, betekent eveneens een belangrijke uitdaging. Weinig dingen zijn zo belangrijk voor duurzame vrede en stabiliteit in Europa als de definitieve genezing van de oude wonden uit de Koude Oorlog.

Op het ogenblik zijn nog maar enkele Middeneuropese industrieën in staat te concurreren op de geïntegreerde EU-markt. Zouden de andere dat morgen opeens ook kunnen, dan zou dat tot een aanzienlijke werkloosheid kunnen leiden, waardoor horden arbeiders op zoek zouden gaan naar werk in het westen. Verdere economische hervormingen zijn essentieel wil uitbreiding van de EU gunstig zijn voor de aspirant-lidstaten èn de EU zelf versterken. Maar ik heb nog altijd alle respect voor de vastbeslotenheid bij Middeneuropese landen om de moeilijke weg af te leggen naar het lidmaatschap, en bij de EU om de aanpassingen te volvoeren die nodig zijn voor hun toelating.

Eveneens een grote uitdaging vormt de uitvoering van de afspraken in het Verdrag van Maastricht. De EU betaalt een hoge prijs voor haar onvermogen om onmiddellijk te voldoen aan de hoge verwachtingen die op twee terreinen zijn gewekt: een gemeenschappelijke munt en een gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid.

Ik ben onder de indruk van de politieke wil bij de lidstaten om tot economische en monetaire eenheid te komen, ondanks de fiscale pijn waarmee dat gepaard gaat, en ik vertrek in de overtuiging dat er in een kopgroep van landen één munt zal komen. De gemeenschappelijke munt zou, bij een geslaagde invoering, de economische onzekerheid in Europa verminderen en de voordelen van een communautaire markt bezegelen. De Verenigde Staten dienen dit grootste politieke en economische experiment met aandacht te volgen.

Het gemeenschappelijke buitenlandse en veiligheidsbeleid is al even problematisch. De VS steunen het streven ernaar, en menen dat de totstandkoming ervan de EU tot een effectievere partner zal maken. De Europeanen zijn het erover eens dat er twee wezenlijke problemen mee gemoeid zijn: het ontbreken van structuren om een gemeenschappelijk beleid effectief te kunnen uitvoeren; en het ontbreken van een gemeenschappelijke zegsman of -vrouw, zoals de algemeen secretaris bij de NAVO, die dat beleid coördineert en verwoordt.

Dit gegeven weerspiegelt een meer algemeen probleem: een aantal belangrijke lidstaten wil de eigen prerogatieven op buitenlands-politiek gebied nog niet afstaan ten gunste van een gemeenschappelijk beleid. Pas als die verandering een feit is zal volgens mij het gemeenschappelijk beleid datgene kunnen zijn wat het Verdrag van Maastricht heeft beloofd.

Bosnië is voor het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid een ongelukkige vuurdoop geweest. Een effectief buitenlands beleid vereist, ook ná de Koude Oorlog, het vermogen om een geloofwaardige dreiging met militair geweld uit te dragen. Veel EU-lidstaten hebben grote moed getoond door vredestroepen naar Bosnië te zenden. Maar vredestichters kunnen niet effectief optreden waar geen vrede is, en er kwam geen vrede totdat de NAVO liet zien dat ze, ook op termijn, in staat was tot overtuigend machtsvertoon. De oorlog in Bosnië heeft daarmee de behoefte aangetoond aan de betrokkenheid van VS en NAVO bij de handhaving van de vrede in Europa.

Onder Amerikaanse leiding zal de NAVO de voornaamste Europese veiligheidsorganisatie blijven. Maar de relatie tussen de EU en de Westeuropese Unie is onduidelijk. Frankrijks her-toetreding tot de militaire tak van de NAVO en de Franse belangstelling voor de vorming van een Europese NAVO-pijler werpt nog meer vragen op. Dit alles betekent dat er zorgvuldig voor moet worden gewaakt dat de min of meer parallelle uitbreidingen van NAVO en EU gelijke tred met elkaar houden. Beide organisaties hebben vrijwel identieke lijsten van Middeneuropese en Baltische landen die graag op zo kort mogelijke termijn lid zouden worden. De dialoog tussen EU en NAVO is nog maar nauwelijks op gang gekomen, en dient te worden gestimuleerd. Beide instanties zetelen in Brussel, en we moeten zorgen dat ze zich niet gedragen alsof ze zich op verschillende planeten bevonden.

De EU zal politiek en diplomatiek pas dan zo krachtig worden als ze economisch en commercieel al is, wanneer de grote lidstaten dat wensen, hetgeen ze op dit moment nog niet doen.

Tijdens mijn ambtsperiode hebben de EU en de VS getoond in staat te zijn enkele van hun meest nijpende handelskwesties op te lossen. De 'Nieuwe Transatlantische Agenda' verschaft een middel om tot een sterkere, wereldomspannende samenwerking tussen VS en EU te komen; maar die rol wordt de EU niet geschonken: ze moet die verdienen door effectief en snel als partner van de VS te kunnen optreden in de rest van Europa en elders ter wereld.

Slechts weinig landen of organisaties in de wereld staan voor imposanter uitdagingen dan de EU en haar vijftien lidstaten. Niettemin leeft er te veel europessimisme, ook in de pers. Elk probleem van enige omvang wordt behandeld als een kwestie van leven of dood. Dat is onzin. Ik ben er optimistisch over dat de EU de uitdagingen waarvoor ze staat met succes het hoofd zal bieden, zoals ze dat in het verleden heeft gedaan. Als de EU niet bestond, zouden de lidstaten haar moeten oprichten, omdat de ze op economisch en veiligheidsgebied zo evident voorziet in hun meest wezenlijke belangen en die van hun burgers.

    • Stuart Eizenstat