Vergrijzing noopt tot ingrijpen bij VUT en pensioen

Nederland vergrijst en de pensioen- en VUT-regelingen worden onbetaalbaar. De aandacht gaat vaak uit naar de betaalbaarheid van de AOW. Volgens sommigen zijn draconische maatregelen ten aanzien van de AOW nodig om deze betaalbaar te houden. Er zou minimaal tot een verdubbeling van de premies of de halvering van de uitkeringen besloten moeten worden. Ondertussen blijkt steeds duidelijker dat de aanvullende pensioenen en de VUT veel meer dan de AOW te lijden zullen hebben onder de vergrijzingsgolf.

Met de vergrijzing van het werknemersbestand in een onderneming, neemt het gebruik van VUT-regelingen natuurlijk hand over hand toe. Dit levert problemen op met de betaalbaarheid aangezien VUT-regelingen meestal, net als de AOW, via het omslagstelsel worden gefinancierd. Bij omslagfinanciering wordt er geen spaarpot gevormd om de uitkeringen te zijner tijd uit te betalen, maar betalen de werkenden van nu de uitkeringen van degenen die een VUT-uitkering hebben. De werkende populatie in een bedrijf moet derhalve voor een steeds grotere groep VUT'ers de uitkeringslasten opbrengen. De financiële mogelijkheden keren hier echter het schip. In veel bedrijven wordt de VUT-leeftijd verhoogd, of komt het zelfs tot algehele afschaffing van de VUT. Vaak komt daar dan een stelsel van flexibele pensionering voor in de plaats.

De invoering van flexibel pensioen zal logischerwijs tot een behoorlijke achteruitgang van de uitkeringsrechten leiden. Deze is allereerst het gevolg van het verhogen van de pensioenleeftijd ten opzichte van de VUT-leeftijd. De flexibele pensioenuitkering gaat gewoon later in. Daarnaast is er een belangrijk principieel onderscheid tussen VUT en pensioen. VUT-uitkeringen zijn in beginsel in hoogte niet afhankelijk van de doorgebrachte diensttijd. Pensioenuitkeringen zijn daarentegen wel diensttijdafhankelijk. Voor het krijgen van een volledige pensioenuitkering geldt meestal de eis dat de werknemer 35 of 40 jaar in de pensioenregeling heeft deelgenomen. Dat haalt vrijwel niemand. Late toetreding tot de pensioenregeling, werkloosheid, verandering van werkgever, het zijn allemaal factoren die er toe leiden dat een volledig pensioen bijna nooit kan worden opgebouwd.

Nu is een flexibel pensioensysteem er mede op gebaseerd dat de werknemer er voor kan kiezen langer door te werken, zodat hij nog extra pensioenrechten kan opbouwen. Het is zelfs algemeen zo dat pensioenregelingen vanwege de diensttijdafhankelijkheid het langer doorwerken - met een daaraan verbonden hoger pensioen - stimuleren. Anders dan bij VUT-regelingen dragen pensioenregelingen er zo aan bij dat oudere werknemers langer in de arbeidsorganisatie actief kunnen zijn. Of dat altijd een haalbare kaart is, moet nog worden afgewacht. Maar zelfs met langer doorwerken is het niet aannemelijk dat een werknemer de volledige 35 of 40 jaren in een pensioenregeling zal weten vol te brengen.

Ook los van de relatie tot afschaffing van de VUT zullen werknemers hoogstwaarschijnlijk te maken krijgen met beperkingen in het niveau van het aanvullend pensioen. Met name eindloonregelingen worden onder invloed van de vergrijzing met aanzienlijke kostenstijgingen geconfronteerd. Door de vergrijzing van het werknemersbestand worden de back-servicelasten in eindloonregelingen steeds groter: de in het verleden opgebouwde pensioenrechten moeten opgetrokken worden naar het hogere loonniveau. Bij een ouder wordende werknemerspopulatie zal het aantal doorgebrachte dienstjaren groter worden, zodat er ook meer aan pensioenrechten is opgebouwd en er evenredig meer rechten verhoogd moeten worden.

Hiernaast hebben pensioenregelingen te maken met het achterblijven van de AOW bij de loonontwikkeling. In pensioenregelingen is altijd een franchise vastgesteld, die verband houdt met de AOW. Aanvullend pensioen bouwt een werknemer alleen op over het loon voor zover dat boven de franchise uitstijgt. Voor het basisdeel van het loon beneden de franchise wordt de AOW geacht in het pensioeninkomen te voorzien. Door een franchise te hanteren, kan bereikt worden dat het aanvullend pensioen tezamen met de AOW-uitkering op het als ideaal beschouwde niveau van 70 procent van het loon komt te liggen. Als de lonen echter meer stijgen dan de AOW, zal er een steeds groter gedeelte van het inkomen door aanvullend pensioen afgedekt moeten worden. Dit plaatst pensioenregelingen voor enorme kostenstijgingen. Studies tonen aan dat de premies voor aanvullende pensioenen gemakkelijk kunnen oplopen tot 25 procent van de loonsom. Als dit het toekomstbeeld voor de aanvullende pensioenen is, zal een beperking van het pensioenniveau onvermijdelijk zijn. Deze trend heeft zich al ingezet. Eindloonregelingen worden omgezet naar opbouwregelingen of beschikbare premieregelingen. Bij opbouwregelingen zijn de pensioenrechten niet aan het laatste loon gekoppeld, maar aan het loon in elk afzonderlijk jaar dat er rechten worden opgebouwd. Met back-servicelasten heeft men dan niets meer te maken. In beschikbare premieregelingen heeft de werkgever geen andere verplichting dan een vooraf vastgestelde premie voor het pensioen te betalen. De directe relatie tussen pensioen en loonhoogte is dan doorgeknipt.

Ook stappen pensioenregelingen - onlangs nog het Shellpensioenfonds - steeds meer over op een stelsel waarbij de franchise in verband met de AOW ontkoppeld wordt van de stijging van de AOW zelf. In plaats daarvan stijgt de franchise gelijk met de loonstijging in het bedrijf. De franchise, dus het loongedeelte waarover de werknemer geen aanvullend pensioen krijgt, zal dan wel veel hoger komen te liggen dan de AOW in werkelijkheid is. De kostenstijging in verband met het achterblijven van de AOW-ontwikkeling is dan wel voorkomen, maar de werknemers lopen een flink gat in hun pensioeninkomen op. Het bizarre van deze ontwikkeling is dat terwijl de vergrijzing de aanleiding is om in te grijpen, de maatregelen in de aanvullende pensioenen vooral degenen treffen die nog weinig aanvullend pensioen hebben opgebouwd, dat wil zeggen de jongere generatie. Als men dat niet redelijk vindt, doch het principe 'de vervuiler betaalt' wil nastreven, dan zal het stelsel van premieheffing voor de AOW over het aanvullend pensioen overwogen moeten worden zodat gepensioneerden voor hun eigen AOW gaan meebetalen.

    • Prof. Dr. E. Lutjens