Van Ostaijen

“Het is voor jou, een probleemcomponist geloof ik.“ Zo noemt ze iedere timide en wereldvreemde stem: dat moet wel iemand zijn die schaakproblemen componeert. Maar het was een Belg aan de telefoon, helemaal niet wereldvreemd, maar gewoon beleefd. Zo werd me weer eens ingeprent dat ze daar beschaafder zijn. Als een Nederlander een beleefde stem hoort, denkt hij in eerste instantie aan een wereldvreemde probleemcomponist.

Ik geloof dat de Belgen niet erg houden van dit soort Belgiëschwärmerei. Al die traditionele Nederlandse pluimpjes op de hoed van de Vlaming, lekker eten, vriendelijke toon, geen brullende radio's op straat, het zijn altijd manieren om met een omweg iets over Nederland op te merken. Zoals de neo-koloniale ondernemer zijn fabriek in Maleisië bezoekt en vol lof terugkomt: “Prachtig land, daar weten ze nog wat werken is!“ Kosmopolitisch provincialisme zou je het kunnen noemen. Grote belangstelling voor een ander land blijkt er niet uit, die is er pas als de neiging tot vergelijkingen met het vaderland verdwenen is.

Dat weten is nog wat anders dan je aan die neiging kunnen onttrekken. Als ik op de Belgische televisie naar een programma over literatuur kijk, is het onmogelijk om niet aan Nederland te denken. Zo vreemd normaal als het daar bij de buren toegaat. Een interviewer die de boeken van de schrijver gelezen heeft en er vragen over stelt die van kennis en belangstelling getuigen. Een schrijver die de tijd krijgt om serieuze antwoorden te geven. Ouderwets ziet het er uit, alsof we nog in de televisietijd van Hans Gomperts leven. Nu zijn er op de Nederlandse televisie programma's die Kunstmest heten, of Kunst omdat het moet, of Ik heb al een boek. Weten de kijkers meteen dat de makers gezonde mensen zijn die alleen met een elektrisch geladen stok door hun superieuren naar een kunstprogramma te drijven waren. Van dat Ik heb al een boek heb ik indertijd de eerste aflevering gezien. Er stond een mannetje te schreeuwen dat het werk van Gerrit Krol 'kauwgum voor superintellectuelen' was. Waarschijnlijk bedoeld als geruststelling. Wees niet bang kijker, wij zijn geen intellectuelen, we doen literatuur omdat het moet. In mijn televisiegids stond een aankondiging van een film van Godard. 'Kunstdrama' was de typering. Het leek me een codewoord voor de goede verstaander: niet naar kijken, kunst.

Vorige week was het honderd jaar geleden dat de dichter Paul van Ostaijen geboren werd. Het Nederlandstalige Belgische journaal opende met een reportage uit het Vlaamse parlement, waar afgevaardigden hun favoriete gedichten van Van Ostaijen voorlazen. Het enige hoofd dat ik herkende was van het Vlaams Blok. Zou dat hoofd ook van Van Ostaijen houden? Helaas, waarschijnlijk wel. Misschien had hij het gedicht Wederkeer voorgedragen. Zó ben ik blij om m'n wederkeer, Tot u, Flamingantisme, nieuw geloof. (-) Wijl 't voor uw heil is, o, m'n nieuw en groot geloof. Of Gulden Sporen negentienhonderd zestien: gekromd de rug en vuist gebald, die de vijand slaat (-) Vastberaân, wij staan in kamp. Wij staan. Niet de mooiste gedichten. Het geldt voor wel meer dichters dat ze zich beter niet met de politiek hadden kunnen bemoeien. Lenin leeft, Lenin leefde, Lenin zal leven, is ook niet de mooiste regel van Majakovski.

Je kan je afvragen of al die afgevaardigden werkelijk poëzieliefhebbers waren. Kwaadwillige en zinloze vraag. Als ze het niet waren, vonden ze het in ieder geval belangrijk om een eerbetoon aan de poëzie te brengen. Het journaal ging verder met een korte beschouwing over leven en werk van Van Ostaijen. Niet zo erg kort toch. Alles bij elkaar ging het wel zo'n tien minuten over een dichter.

Stel dat een Nederlandse dichter.... Overbodig om de vraag te stellen. Alleen als het gaat om iemand die voor de radio of voor de televisie heeft gewerkt, dan doet ons journaal altijd of de Nederlandse Shakespeare is overleden. Ik was werkelijk ontroerd door die korte zakelijke reportage over Van Ostaijen. Ook omdat ik een paar dagen eerder op onze eigen televisie een programma over hem had gezien waar ik me op verheugd had, en dat ik halverwege geërgerd afzette. Het kon toch niet misgaan, zou je denken. Al dat voor de hand liggende beeldmateriaal. Music-Hall, wereldoorlog, Duitsland in roerige jaren, uitbundige typografie, stadsleven. Als een poedel die uit het water rijst, voorzichtig het riet terzijde schuift, rond zich een waaier van waterkor- rels wuift, duikt de trem op. Het snikkende sienjaal viert feest, als onder zijn hijgen, zó betuigt het

blije blaffen van het beest.

Bijna vanzelf zou een documentaire over Paul van Ostaijen een klein kunstwerkje worden, met al die voor de hand liggende rijmen van beeld en tekst en de interessante politieke achtergronden van zijn leven.

Over de politiek werd erg vaag gedaan. Er werd gezegd dat Van Ostaijen na de Eerste Wereldoorlog naar Duitsland moest vertrekken, omdat hij in de oorlogsjaren een idealistische algemene mensenliefde had getoond. Zouden het in België zulke monsters zijn geweest dat ze algemene mensenminnaars het land uitjoegen? Een dichtregel had het concreter kunnen maken: Begrijpt de jonge levenslust van Duitsland, dat plaats zoekt onder de zon;

Het was alsof de televisiemakers zich een beetje schaamden voor het politieke engagement van hun dichter. Een anachronistische schaamte zou het zijn. Alsof ze dachten dat van de kijkers niet verwacht kon worden dat die nog het verschil tussen de Eerste en de Tweede Wereldoorlog zouden kunnen begrijpen. Nou ja, dat was maar een kleinigheid. Erg was hoe de gedichten werden voorgedragen. Zo artistiek, met zoveel inlevingsvermogen, bijna sidderend van ontroering. Langzaam en zwaar. Ik wil niet zeggen dat ik alles vlot en vrolijk wil hebben, maar de zwaarte werd er hier wel erg dik opgesmeerd. Kom op, de beentjes van de vloer, dacht ik. Maar het mocht niet zo zijn, maandagavond vorige week. aan 't eind van deze dag geen lach zich legt over uw brede mond

zoals een ree languit en lui zich aan een rotswand legt

    • Hans Ree