Stuurlui aan de wal

Niet iedereen in Nederland leest de Frankfurter Allgemeine Zeitung. Dus niet iedereen in Nederland weet dat er een dag of tien geleden in Vaals een Nederlands-Duitse conferentie heeft plaatsgevonden, waar ambtenaren, politici en journalisten uit beide landen elkaar op vertrouwelijke wijze ontmoet hebben. Ik althans vernam dit nieuws uit de FAZ van 19 februari. (Sindsdien heeft ook Paul Scheffer er melding van gemaakt, en wel in zijn artikel in deze krant van 24 februari.)

Naar de man van de FAZ meldt verliep de conferentie, die de Europese samenwerking tot thema had, in uitstekende sfeer. Als er van onenigheden sprake was, waren die er eerder tussen Nederlanders onderling en Duitsers onderling dan tussen Nederlanders en Duitsers. De Nederlanders drongen er zelfs bij de Duitsers op aan niet al te bescheiden te zijn. Op regeringsniveau heerste er “bijna volmaakte” eenstemmigheid.

Ook minister Van Mierlo van Buitenlandse Zaken blijkt op die conferentie gesproken te hebben. Hij riep - nog altijd volgens de FAZ - de Duitsers op aan de federale lijn vast te houden. “Als u daarmee ophoudt, is het met Europa voorbij”, zo wordt hij geciteerd. Toch schijnt hij niet helemaal gerust te zijn, want hij haalde het woord van Walter Hallstein, die van 1958 tot 1967 voorzitter van de Europese Commissie was, aan: “Wie in Europese zaken niet in wonderen gelooft, is geen realist”.

Nu, alleen iemand die bijna alle hoop heeft opgegeven, doet een beroep op wonderen. Van Mierlo moet dus wel heel pessimistisch zijn over de Europese eenheid! Afgezien daarvan, is het merkwaardig de grote man van D66, de partij van het pragmatisme en het “redelijk alternatief”, zijn geloof in zoiets onredelijks als wonderen te zien belijden en zich te bedienen van de retoriek van de jaren vijftig.

Maar ja, tegenover Duitsers kan zo'n poëtische ontboezeming misschien geen kwaad. Heeft Heine niet gedicht dat zij “besitzen im Luftreich des Traums die Herrschaft unbestritten”? In Engels of Amerikaans gezelschap zou Van Mierlo hier niet mee moeten komen aanzetten. Trouwens, de Duitsers van de naoorlopgse generaties zijn goddank ook van dromen verlost.

Wat kan hem ertoe verleid hebben? Waarschijnlijk de katterige stemming over Europa, die ook Nederland, lange tijd burcht van het eurofederalisme, in zijn greep lijkt te krijgen. Het zogenaamde realisme van vele spraakmakers, hun cynisme of, op z'n best, onverschilligheid moet hem, die zo graag nieuw elan in de buitenlandse politiek had willen brengen, hogelijk irriteren. Misschien schrijft hij het wel aan hun invloed toe dat er nu twijfel ontstaat aan het dogma van de onomkeerbaarheid der Europese integratie.

Dat hij tegen deze scepsis geen andere argumenten heeft dan het geloof in wonderen, is natuurlijk zwak, maar begrijpelijk is zijn geprikkeldheid wel. Hij heeft er ook niet het monopolie van. Iedere politicus heeft, zo niet de opdracht, dan toch de ambitie iets te doen, te presteren, iets te verrichten waarop, zo niet zijn kiezers, dan hijzelf met voldoening kan terugkijken.

Dat is een wezenlijk andere functie dan die van de commentator. Die heeft niet de ambitie iets tot stand te brengen. Het is zijn taak ook niet. Zijn taak is het aan de zijlijn te blijven en te analyseren en becommentariëren wat de doeners, de politici, doen. Commentatoren nemen ook geen besluiten. Zij zijn niet meer dan stuurlui aan de wal.

Is daarmee hun functie eigenlijk overbodig? Wie van mening is dat de democratie staat en valt met de discussie, het debat, met de kritiek ook, zal dit niet zo gauw durven beamen. Maar het is wèl een functie die irriteert - althans diegenen irriteert wie hun analyse of kritiek niet van pas komt. Daarbij komt dat de commentator, als het goed is tenminste, geen belang vertegenwoordigt, wat zelfs de eerbaarste politicus wèl doet.

Hiermee is de spanning geschetst die er noodzakelijkerwijs bestaat tussen de politicus en de commentator. Objectief hebben ze elkaar nodig - de commentator kan niet zonder de politicus, die zijn object is; en de politicus kan, volgens de regels der democratie, niet zonder kritiek - maar subjectief is de politicus altijd geneigd in de commentator, tenzij hij applaudisseert, de boodschapper te zien die tevens veroorzaker van slecht nieuws is.

Zoiets kan ook met Van Mierlo het geval zijn, waarbij nog komt dat hij, pas op late leeftijd het doel van zijn politieke ambitie bereikt hebbend, ook door een soort Nachholbedürfnis gedreven wordt, die hem extra gevoelig maakt voor kritiek. Het curieuze is dat hij daarbij de invloed van de stuurlui aan de wal overschat: als de Europese integratie niet onomkeerbaar mocht blijken, zijn het niet zij die daaraan schuld zijn.

Maar genoeg over Van Mierlo's rede in Vaals, waarvan we niet veel meer kennen dan het citaat van Heine en 's-ministers federalistische geloofsbelijdenis, beide door de FAZ vermeld. Die laatste echter komt in een interessant licht te staan door een bericht dat op 23 februari in Le Monde stond.

Dat bericht maakt melding van een bijeenkomst van een werkgroep van de Duitse CDU en de Franse RPR - de leidende partijen van de twee leidende Europese landen dus - die twee dagen tevoren in Parijs bijeengekomen is en overeengekomen is dat de gemeenschappelijke Europese munt dwingt tot “een gemeenschappelijk politiek project dat de naties respecteert en, meer in het bijzonder, aan de democratisch gekozen regeringen de zeggenschap over hun economisch en budgettair beleid voorbehoudt, met inachtneming van de onafhankelijkheid van de centrale Europese bank”.

Waarom is dit interessant? De gewone man - van wie lanngzamerhand erkend wordt dat hij, op straffe van referendumuitslagen à la Denemarken of rellen zoals Frankrijk die in december te zien heeft gegeven, meer bij het beraad over Europa betrokken moet worden - leeft in de illusie dat de Europese regeringen al lang de zeggenschap over hun economisch beleid uit handen hebben gegeven. Er bestond toch sinds 1958 een Europese economische gemeenschap, die nu Europese Unie heet?

Dat is misschien heel naïef van die gewone man, maar kunnen we het hem kwalijk nemen wanneer hij nu te horen krijgt dat dit helemaal niet het geval is, sterker nog: dat het de bedoeling is, althans van de Duitsers en de Fransen, dat het, ondanks alle mooie woorden, zo moet blijven als het altijd geweest is?

En met Van Mierlo's beroep op de Duitsers aan de federalistische lijn vast te houden, lijkt die Frans-Duitse verklaring ook op gespannen voet te staan. Als de geest van die verklaring zegeviert, is het - althans volgens Van Mierlo's conclusie - “met Europa voorbij”. Er valt nog veel aan de gewone man uit te leggen.