Oorlogsrecht schiet tekort in 'postmodern' conflict

Na de Koude Oorlog is de Westerse publieke opinie herhaaldelijk opgeschrikt door wreedheden in vele binnenlandse conflicten. Cornelio Sommaruga, voorzitter van het Internationale Comité van het Rode Kruis, sprak in december van “barbarij” en wees de internationale gemeenschap op haar verantwoordelijkheid om het internationale humanitaire recht ook in deze conflicten gestand te doen. PHILIPP FLURI was als bemiddelaar in Tsjetsjenië. Hij is pessimistisch over de mogelijkheden het recht in dit soort oorlogen te laten gelden. Bericht van een strijdtoneel waar het recht geen vat op heeft.

ZÜRICH, 27 FEBR. In de jaren vijftig introduceerde de Britse militair deskundige sir Frank Kitson het begrip low intensity conflict, om de strijd van de Mau Mau voor onafhankelijkheid in Kenia te beschrijven. Bij terroristische aanvallen van de Mau Mau op Britse inwoners van Kenia en hun medestanders en de reacties van het Britse koloniale gezag kwamen duizenden mensen, vooral Afrikanen, om het leven. Een regulier leger, zo zei Kitson al in de jaren vijftig, is niet effectief om een dergelijk conflict uit te vechten. De Tsjetsjeense strijd lijkt zijn stelling te bevestigen.

Aan het einde van de Koude Oorlog heeft het zogeheten low intensity conflict zijn intrede gedaan op het Europese continent. In onder andere het voormalige Joegoslavië, en op de Kaukasus vechten gewapende groepen voor onafhankelijkheid. In Tsjetsjenië hebben rebellen na massale Russische interventie, hun toevlucht genomen tot gijzelingen om het streven naar onafhankelijkheid kracht bij te zetten.

De Zwitser Philipp Fluri was enkele maanden namens de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) in Tsjetsjenië om te bemiddelen tussen de strijdende partijen. Fluri noemt het conflict in Tsjetsjenië 'postmodern' omdat dit soort conflicten de komende jaren zullen domineren - de Golfoorlog was volgens hem één van de laatste 'moderne' oorlogen.

In het 'postmoderne' conflict vechten volgens Fluri geen legers maar groepjes mensen, clans, tegen elkaar. “Om de strijd te winnen moet de ene partij elk groepje van de tegenstander uitschakelen. Het is een langdurig conflict met een lage intensiteit. De high-tech wapens van de Golfoorlog zijn niet de wapens van de postmoderne oorlog, een tank wordt niet langer ingezet als onderdeel van een bataljon maar als een verlengstuk van de infanterie.”

“Het verwoestende postmoderne conflict”, zegt Fluri, “waarvan Joegoslavië een voorbeeld is en de Tsjetsjeense strijd veel eigenschappen heeft, is gebaseerd op haat. Als strijder in zo'n oorlog richt je bloedbaden aan in dorpen, spaar je kinderen en vrouwen niet, dood je de gewonden en neem je gijzelaars.” De strijder in dit soort conflicten heeft volgens hem geen enkele aandrang burgerdoelen te ontzien, zoals de Conventies van Genève (1949) voorschrijven.

Als analist bij het Zwitserse ministerie van defensie heeft Fluri de afgelopen jaren onderzoek verricht naar vooral de gewapende conflicten in voormalig Joegoslavië en in Tsjetsjenië. Voordat hij eerder deze maand voor de OVSE als bemiddelaar naar Armenië vertrok was hij enkele maanden met hetzelfde doel gestationeerd in de Tsjetsjeense hoofdstad Grozny. Een van de taken van de OVSE is het voorkomen van conflicten tussen en binnen de lidstaten.

De militaire overeenkomst die in juli werd gesloten tussen Rusland - waarvan Tsjetsjenië deel uitmaakt - en de opstandelingen, had moeten leiden tot een normalisering van de situatie. Een zogeheten ondersteuningsgroep van de OVSE kreeg tot taak daarbij te assisteren. Militaire waarnemers moesten toezien op de ontwapening van de Tsjetsjenen; diplomaten, onder wie Fluri, moesten een dialoog op gang brengen. Dit proces is nooit voltooid.

De aanwezigheid van een OVSE-groep in Tsjetsjenië was van groot belang, zo was Fluri voor vertrek tijdens een briefing verteld. “Aanwezig zijn betekent alles. Onze aanwezigheid moest gruwelijkheden voorkomen. Maar de excessen zijn doorgegaan.” Volgens hem neemt geen van de strijdende groeperingen in Tsjetsjenië de ondersteuningstaak van de OVSE serieus: “Zij benaderden ons al naar gelang hun belangen van het moment dat vereisten en dankten ons daarna weer af. Wij hadden geen enkele mogelijkheid greep op de situatie te krijgen.”

“In de strijd in Tsjetsjenië is alleen de Russische kant herkenbaar. De Tsjetsjeense kant is geen eenduidig 'front' maar bestaat uit verschillende groepen, waarvan sommige gematigd zijn en andere radicaal. De commandostructuur van de rebellen is onduidelijk. De Tsjetsjeense vrijheidsstrijder werkt overdag, hij vecht 's avonds. Zijn hoofdkwartier is gevestigd in gewone huizenblokken waar burgers wonen en waar hij zelf kan schuilen. De strijders houden zich aan geen enkele internationale afspraak om burgerdoelen uit te sluiten van de strijd. Dit maakt het moeilijk voor de Russische kant om de strijd met Tsjetsjeense rebellen aan te gaan zonder het leven van burgers in gevaar te brengen.”

De twintig- tot dertigduizend doden die volgens een functionaris van de Russische Veiligheidsraad zijn gevallen sinds de Russische president, Boris Jeltsin, op 11 december 1994 troepen naar de opstandige republiek stuurde, zijn volgens Fluri het gevolg van de onverschillige werkwijze aan Russische kant. “De Russen verdedigen hun aanpak, het vergelden van gijzelingsacties en het veroveren van steden, waarbij duizenden burgerslachtoffers zijn gevallen, met het argument dat dat de enige manier is waarop de rebellen bevochten kunnen worden. Het Russische idee was dat een hardhandige aanpak van het conflict het volk van de rebellen zou vervreemden. Het tegendeel is gebeurd.”

Het oorlogsgeweld heeft de OVSE-diplomaat over zich heen laten komen. Fluri zegt er tijdens zijn verblijf in Tsjetsjenië persoonlijk niet door geraakt te zijn. “De ondersteuningsgroep van de OVSE heeft een politieke taak; wij zijn er niet om de hongerigen te voeden. Het enige dat ik voel, is schaamte over het gegeven dat we zo weinig tot stand hebben kunnen brengen. Het theoretisch bouwwerk van de Europese veiligheidsstructuren staat ver af van wat zijn instrument - de ondersteuningsgroep - in een conflict als dat in Tsjetsjenië kan doen.”

Behalve de beperkte mogelijkheden van de ondersteuningsgroep zag Fluri de beperkingen van het recht. “Het idee van de rechtsstaat heeft geen enkele betekenis in dergelijke conflicten. De samenleving is versplinterd in clans, er is geen eensluidend idee meer over het recht; de rechterhand weet niet wat de linkerhand doet. Dit gebeurde ook in Joegoslavië: het respect voor de wet, nationaal of internationaal, is weg.”

Volgens Fluri is Zeljko Raznjatovic, alias Arkan (de mafiose Servische krijgsheer die berucht werd wegens zijn drastische aanpak van de 'etnische zuiveringen' in Kroatië en Bosnië) de belichaming van de postmoderne commandant. “Hij verrijkt zich middels de georganiseerde misdaad om de strijd te voeren die hij wil voeren. (...) Er is geen wetgeving denkbaar die de gruweldaden van het postmoderne conflict kan tegengaan omdat de strijdende partijen geen coherente samenleving vormen die wetgeving zou accepteren.”

“De Conventies van Genève, waarin het oorlogsrecht is vastgelegd, zijn gebaseerd op de ervaringen van de Tweede Wereldoorlog en op de oorlogen die daaraan vooraf gingen. Dit recht is voor oorlogen met een klassiek karakter effectief gebleken.” De twee protocols over interne gewapende conflicten die in 1977 werden toegevoegd aan de Conventies bieden volgens Fluri in principe voldoende houvast om gruweldaden in interne conflicten te voorkomen. Indien ze maar zouden worden nageleefd.

“De Tsjetsjeense vrijheidsstrijders kunnen onder het oorlogsrecht niet worden aangesproken op hun handelen omdat zij formeel niet in oorlog zijn. Technisch gesproken zijn zij betrokken bij een intern gewapend conflict en vallen zij onder de wetgeving van de Russische federatie. Maar die wetgeving verwerpen zij met hun streven naar onafhankelijkheid.”

“Rusland zegt zelf in Tsjetsjenië te handelen in de geest van het oorlogsrecht. In de officiële lezing over de bestorming van de stad Goedermes staat dat het Russische leger, voordat het aan een bombardement van de stad begon, een corridor heeft geopend voor de burgers die de stad wilden ontvluchten.”

De bombardementen op Goedermes, eind december, waren voor de Duitse kolonel Heiducoff, die toen bij de OVSE in Tsjetsjenië waarnemer was, evenwel aanleiding om het Russische leger publiekelijk te betichten van massamoord. De bombardementen op de stad, waar zich ongeveer achthonderd Tsjetsjeense strijders ophielden, kostten aan honderden mensen het leven.

Fluri: “Ik ben niet hoopvol gestemd over het naleven van het oorlogsrecht in binnenlandse conflicten. Ik weet niet waar de oplossing ligt voor de schendingen van het recht. We hebben in principe de wettelijke instrumenten om de gevolgen voor de burgerbevolking beperkt te houden. Zolang de internationale gemeenschap de naleving van het oorlogsrecht niet wil afdwingen in interne conflicten heb ik geen hoop dat het aantal burgerslachtoffers kan worden teruggebracht.”

    • Aernout Zevenbergen