Onenigheid over politieke druk op RIOD

AMSTERDAM, 27 FEBR. Het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie (RIOD) wijst beschuldigingen van de hand dat het een publicatie heeft tegengewerkt waarin wordt onthuld dat prins Bernhard tot 1937 lid was van de NSDAP. Volgens C. Hilbrink, een van de auteurs van het vandaag gepresenteerde boek De Affaire Sanders, heeft het RIOD de verschijning ervan vertraagd na tussenkomst van prins Bernhard en het kabinet. Bestuurslid J. Bank van het RIOD ontkent dat er een afspraak bestaat tussen het instituut en het Koninklijk Huis dat de leden daarvan teksten van het RIOD over henzelf eerst moeten kunnen lezen.

Aan de vooravond van de presentatie van De Affaire Sanders, dat hij samen met RIOD-onderzoeker G. Aalders schreef, beklaagt Hilbrink zich erover dat het RIOD van regeringszijde onder druk is gezet. Bank en adjunct-directeur van het RIOD P. Romijn zouden in december op het torentje bij premier Kok zijn ontboden. Deze zou hen op het hart hebben gedrukt voorzichtig te zijn met de publicaties over prins Bernhard.

Volgens Bank heeft een dergelijk onderhoud nooit plaatsgehad. De twee RIOD-vertegenwoordigers hebben wel informatie gegeven aan ambtenaren van het departement van Algemene Zaken in verband met de beantwoording van vragen die het Kamerlid R. Poppe (SP) over het NSDAP-lidmaatschap van prins Bernhard had gesteld.

De publicatie van het boek is enige tijd vertraagd, omdat de wetenschappelijke kwaliteit ervan bij het RIOD ter discussie stond, aldus Bank. Het manuscript is aan prins Bernhard voorgelegd in het kader van een kritische analyse van de door Hilbrink gebruikte bronnen en wegens het principe van hoor en wederhoor.

Hilbrink beticht RIOD-bestuurslid en Eerste-Kamerlid voor het CDA P. Steenkamp ervan dat hij zo geschrokken was van de onthulling dat prins Bernhard NSDAP-lid is geweest, dat hij het boek “niet zo zag zitten”. Volgens Bank heeft het RIOD slechts het eigen reglement toegepast. Het reglement voorziet in een bijzondere procedure (artikelen 22-23) die voorschrijft dat publicaties waarin iemands lidmaatschap van landverradelijke organisaties openbaar wordt gemaakt extra worden geverifieerd.

Dit voorschrift is tot stand gekomen naar aanleiding van de affaire-Aantjes in 1978. De toenmalige directeur van het RIOD L. de Jong bracht toen in de openbaarheid dat Aantjes lid zou zijn geweest van de Waffen SS. Dit moest later worden gecorrigeerd. Aantjes is lid geweest van de Germaanse SS, wat als minder bezwarend wordt beschouwd. De toen aangescherpte RIOD-procedure is nadien gehanteerd bij publicaties over een beweerd NSB-lidmaatschap van oud-minister J. Luns.

In De Affaire Sanders wordt prins Bernhards lidmaatschap van de NSDAP tot 1937 aangetoond met twee ledenlijsten waarop de naam van de prins voorkomt, een ongetekend opzeggingsbriefje, en correspondentie over een niet-ingeleverde lidmaatschapskaart en het niet betalen door de prins van contributie. De auteurs voegen hieraan toe dat door het ontbreken van een aanmelding in het overigens incomplete archief niet definitief worden bewezen dat prins Bernhard zich persoonlijk heeft aangemeld of afgemeld. “Inmiddels mag het feitelijke lidmaatschap als zodanig als vaststaand worden beschouwd.”

Het RIOD neemt alleen de wetenschappelijke verantwoording voor het door Aalders geschreven deel van het boek dat handelt over Sanders als na-oorlogs topambtenaar van de veiligheidsdienst. Het door Hilbrink geleverde gedeelte over de voorafgaande episodes geldt volgens het RIOD niet als wetenschappelijk, omdat het teveel is geschreven vanuit de optiek van de hoofdpersoon.