Nederlandse krijgsmacht is wel maatschappelijk, maar niet soft

Sinds de val van Srebrenica staat het 'vermaatschappelijkte' Nederlandse beroepsleger ter discussie. Zijn de soldaten van tegenwoordig lafaards? Volgens Hans Born en René Moelker is daar geen sprake van.

De afwikkeling van de val van Srebrenica heeft duidelijk gemaakt dat op alle niveaus fouten gemaakt zijn. Men heeft met de vinger gewezen naar VN-bestuurders, naar politici, hoge militairen en naar de militairen te velde. Enkele commentatoren waren niet vergeten dat ook Mladic en Karadzic enige verantwoordelijkheid voor de gebeurtenissen aan te wrijven is. De zaak is te complex om tot eenduidige uitspraken te komen. In alle aantijgingen schuilt immers een kern van waarheid. Er is al veel over gesproken en geschreven. Dat hoeft hier niet herhaald te worden.

Wel interessant zijn commentatoren die de oorzaak van de gebeurtenissen op een meer structureel maatschappelijk niveau zoeken. Zij beweren dat de Nederlandse krijgsmacht te vermaatschappelijkt zou zijn om nog daadwerkelijk in gevechtssituaties op te treden.

Enkele krantekoppen geven precies aan waar het deze auteurs om gaat: “Het liefste leger van Europa. Kan de Nederlandse soldaat wel vechten?” (Ben van der Velden, NRC, 16 december 1995) “Te lief voor oorlog. Waarom het Nederlandse leger geen vechtjassen kent” (Alain van der Horst, HP/De Tijd, 4 augustus 1995). In een reeks artikelen wordt verondersteld dat er een negatieve relatie is tussen vermaatschappelijking en de gevechtskracht. Onze militairen zijn te lief geworden en slaan daarom op de vlucht als het een beetje moeilijk wordt. Abram de Swaan vraagt zich af of wij “te laf” geworden zijn (NRC, 2 september 1995). De hoogleraar Brands stelt: “Het Nederlandse leger is zo vermaatschappelijkt dat het niet meer zo geschikt is voor dit soort gruwelijke taken” (Elsevier, 23 december 1995).

Waar komt de analyse van deze commentatoren op neer? De Swaan, de scherpste der commentatoren, stelt: “Die eigenschap, 'moed' dus, bleek bij alle betrokkenen in het Nederlandse leger van hoog tot laag te ontbreken”. De sociologische verklaring zoekt De Swaan in de vermaatschappelijking, democratisering en verburgerlijking van de krijgsmacht. Oude soldatendeugden als 'eer' en 'trouw' zijn aangetast. De militair heeft ook geen ervaring meer met de oorlog. Brands interpreteert 'vermaatschappelijking' alweer anders, want “onze soldaten hanteren kantoortijden en zijn gewend dat er op de juiste tijd koffie wordt geserveerd”. Uit het artikel van Ben van der Velden blijkt dat voormalig legerkorpscommandant luitenant-generaal b.d. Loos dezelfde mening is toegedaan. Zo vindt hij de werktijdenregeling “doorgeschoten”. De bereidheid van de militair om zich in te zetten hangt volgens Loos af van de kwaliteit van de leiding. Maar de discipline bij de krijgsmacht “is onder invloed van het maatschappelijk gebeuren een tikje onder de tram geraakt”. Hij stelt dat het de laatste tijd geleidelijk beter gaat. Alain van der Horst ontlokt aan de directeur van Clingendael, Van Staden, de opmerking dat de nederlaag uitstekend past in de traditie van de Nederlandse krijgsmacht. “We wijken altijd. Voor de overmacht.” Heldendom geldt niet als een Nederlandse waarde.

Als men deze fragmenten met elkaar vergelijkt, blijkt al dat het begrip 'vermaatschappelijking' telkens een andere betekenis heeft. Is het juist dat al deze betekenissen tot een vermindering van de militaire effectiviteit (inzetbaarheid en gevechtskracht) zouden leiden? Naar onze mening is enige nuancering op zijn plaats.

Allereerst is er sprake van onduidelijkheden rondom het begrip 'vermaatschappelijking'. Door een aantal mensen wordt de term gebruikt terwijl zij doelen op de bureaucratisering van het militaire bestel (zie de voorbeelden die betrekking hebben op kantoor en werktijden). Bureaucratie gaat ten koste van de gevechtskracht. Het is echter niet hetzelfde als vermaatschappelijking.

Het begrip werd ook altijd genoemd in samenhang met de democratische inbedding van de krijgsmacht. Juist doordat de krijgsmacht vermaatschappelijkt is, is het risico dat de krijgsmacht een staat in de staat vormt gering. Dat een minder democratisch leger minder effectief zou zijn in het gevecht is echter nooit bewezen. Zo is de effectiviteit van het Israelische leger niet op autoriteit gebaseerd, maar onder andere op het voorbeeldgedrag (het follow me-principe) van leidinggevenden. De gevechtsvaardigheden van Nederlandse dienstplichtigen zijn vaak geroemd: de langharige Nederlandse militairen wonnen regelmatig de beker bij internationale schietwedstrijden met tanks.

Dat de Nederlandse krijgsmacht niet op Rambo-kwaliteiten selecteert is juist. Mensen met een ongezonde neiging tot gewelddadig gedrag worden geweerd, niet alleen omdat zij schade aan zichzelf zouden toebrengen, maar vooral omdat zij een gevaar voor hun collega's vormen. Dat wil nog niet zeggen dat de Nederlandse militair een doetje of softie is. Het wil wel zeggen dat de Nederlandse militair zich aan geweldsinstructies houdt (ook tijdens Srebrenica). Dat kan men van Rambo-klonen niet beweren. Het selectieproces van de krijgsmacht heeft niet veel uit te staan met vermaatschappelijking.

Na deze summiere begripsverheldering willen wij enkele contra-argumenten in stelling brengen. Een grote gevechtskracht en een grote mate van inzetbaarheid kan alleen voortkomen uit een krijgsmacht die op professionele basis haar werk doet. Professionalisering van de krijgsmacht sluit vermaatschappelijking niet uit, sterker nog, een professionele krijgsmacht is op zeer veel punten door en door vermaatschappelijkt.

De overgang van een dienstplichtleger naar een beroepsleger versterkt de reeds aanwezige tendens tot professionalisering. De kenmerken van de traditionele krijgsmacht verdwijnen. Deze professionalisering uit zich op verschillende terreinen als de gevechtsmotivatie, de technische competentie en de wetten van de arbeidsmarkt.

De gevechtsmotivatie wordt niet meer ontleend aan traditionele militaire waarden zoals moed, eer en discipline. Deze waarden, vergelijk de commentaren van De Swaan en Loos, zouden verloren zijn gegaan. Gevechtsmotivatie wordt tegenwoordig ontleend aan factoren als het voorbeeldgedrag van de leider, buddy relations en de cohesie van de groep. Uit onderzoek van onder anderen Janowitz en Shils blijkt bijvoorbeeld dat de Duitse militairen tot aan het einde van de Tweede Wereldoorlog hardnekkig vochten door de sterke onderlinge groepsband, en niet door een (nazi-)ideologie. Een andere sterke bron van motivatie sluit perfect aan bij de waarden en normen van de moderne tijd; men doet zijn werk omdat men daarvoor beloond wordt en niet om aan een roeping over verplichting te voldoen. Deze motivatie garandeert een betere (gevechts)inzet dan bijvoorbeeld de dienstplicht.

De moderne infanterist zal voorts steeds vaker uitgerust zijn met de modernste technologie. Het gevecht op afstand wordt belangrijker. Wat betekenen 'moed' en 'eer' in een high-tech context? Technisch competent, professioneel optreden vereist tegenwoordig een scala van civiele vaardigheden en theoretische know how. Oorlogen worden niet alleen vanuit een schuttersput uitgevochten maar steeds meer vanachter een computerscherm. Het competentie-aspect van het militaire beroep wordt steeds meer civiel ingekleurd. Dit is ook een vorm van vermaatschappelijking.

Een professionele krijgsmacht, ten slotte, moet op de arbeidsmarkt concurreren om de gunst van werkzoekenden. De wetten van vraag en aanbod betekenen dat belonings-, leef- en werkcondities marktconform moeten zijn. De logica van de markt dwingt tot vermaatschappelijking. Enkele elementen van deze vermaatschappelijking hebben betrekking op de hoge beloningen, een scheiding van wonen en werken, stimulerend beleid voor bepaalde categorieën aanbieders (vrouwen, allochtonen), scholingsmogelijkheden, Arbo-wetgeving.

Uit het bovenstaande blijkt, ten eerste, dat vermaatschappelijking verschillende betekenissen heeft. Niet elke betekenis kan zonder meer op een negatieve manier in verband worden gebracht met gevechtskracht. Ten tweede hangt gevechtskracht af van de mate van professionalisering. In deze professionalisering is de vermaatschappelijking ingebakken. Als de trend naar professionalisering doorzet, zal de krijgsmacht nog meer vermaatschappelijken. Er is geen reden om aan te nemen dat dit proces de gevechtskracht van een professionele krijgsmacht negatief beïnvloedt.

    • Hans Born
    • René Moelker