Judocoach Ooms voelt zich onheus bejegend

TILBURG, 27 FEBR. Judocoach Peter Ooms heeft gisteren in een persverklaring de beschuldigingen van drie (ex)judoka's over ongewenste aanrakingen tegengesproken. Het is voor het eerst dat de sportschoolhouder uit Tilburg op de aantijging van Anita Staps, Irene de Kok en Monique van der Lee reageert.

Het drietal zei vorige week een klacht te hebben gedeponeerd bij de tuchtcommissie van de Judo Bond Nederland (JBN) over ongewenste intimiteiten in de periode van 1980 tot 1993. Bij de judobond is nog geen schriftelijke klacht van de drie vrouwen ontvangen.

“Ik verklaar naar eer en geweten dat er geen sprake kan zijn van door mij gepleegde seksuele intimiteiten of handelingen. Ik werp de beschuldigingen op dat vlak verre van mij”, aldus Ooms in een schriftelijke verklaring. “Tot nu heb ik nog geen kopie ontvangen van het persbericht van de drie judoka's. Terwijl volgens mijn informatie door de JBN ook geen aanklacht tegen mij is ontvangen. Ik kan mij daarom niet gedetailleerd verweren.”

In zijn verweer wijst Ooms nadrukkelijk op de volgende feiten: “Anita Staps is al twaalf jaar geen lid meer van mijn sportschool en heeft na haar vertrek nooit geklaagd over mijn wijze van training en coaching. Irene de Kok is een bepaalde periode geen lid geweest van mijn sportschool. Op eigen initiatief is ze vervolgens teruggekomen. Na haar loopbaan is zij in dienst van mijn sportschool gebleven als judolerares. Ook Monique van der Lee is nog steeds lid van mijn sportschool.”

Ooms zegt zich met zijn adviseurs te concentreren op een eventuele aanklacht tegen hem bij de tuchtcommissie van de judobond. Ook plaatst hij vraagtekens bij het werk van psycholoog Looman van het NOC*NSF. “Ik weet dat ik door mijn manier van begeleiding van mijn pupillen bij de leiding van de judobond gevoelens van antipathie heb gekweekt en dat de tegen mij gerichte beschuldigingen de aandacht afleiden van de problemen binnen de bond. Ik betreur het dat de voorzitter al heeft gereageerd op de persberichten, zonder dat hij de precieze aanklacht kende. En zonder dat ik in de gelegenheid ben gesteld een weerwoord te geven. Dat is niet behoorlijk.”