Een munt voor alle seizoenen

HAALT DE EMU 1999? Deze vraag naar de haalbaarheid van de Economische en Monetaire Unie dringt zich op nu steeds meer hobbels opduiken op het pad naar de gemeenschappelijke munt, de euro. Voorstanders bezweren dat het project volgens schema doorgaat, aarzelaars zeggen dat uitstel beter is dan afstel, tegenstanders verheugen zich over de twijfels. De onzekerheid wordt gevoed door een afzwakkende groei van de Europese economie. Terwijl niet eens van een recessie sprake is, smelt het enthousiasme voor een gemeenschappelijke munt. De euro, zo lijkt het, is een mooi-weermunt.

De oorzaak hiervan is op het eerste gezicht gelegen in de criteria die in 1991 zijn vastgelegd in het Verdrag van Maastricht als toelatingsdrempel tot de gemeenschappelijke munt, met het onuitgesproken doel om zwakke-muntlanden buiten de EMU te kunnen houden. Nu dreigen die criteria, met name de omvang van het begrotingstekort, ook de deelname van de beoogde kerngroep te blokkeren. Er moet dus harder bezuinigd worden, maar zo'n beleid bijt zichzelf in de staart: hoe meer bezuinigingen, des te minder groei, des te meer bezuinigingen nodig zijn, des te groter de onvrede. Geen wonder dat bij een perspectief van lage groei vrijwel alle landen kreunen onder de criteria die ze zichzelf hebben opgelegd en die de meeste overheden te lang hebben genegeerd. Uitstel vergemakkelijkt de aanpassingen en op den duur zal een opgaande conjunctuur hopelijk een handje meehelpen.

HOEVEEL LANDEN vormen een unie? Op het ogenblik voldoet alleen Luxemburg aan alle criteria - plus Ierland omdat het zich volgens de ontsnappingsclausule van het verdrag in bevredigend tempo in de richting van deze normen beweegt. Maar Frankrijk en Duitsland niet - en zonder deze twee wordt het niets. Gezien de groeivertraging die op het ogenblik heerst, is het nagenoeg uitgesloten dat beide landen in 1997 aan de EMU-eisen zullen voldoen. Staat of valt de stabiliteit van de euro met het verschil tussen een financieringstekort van 2,9 en 3,1 procent in Duitsland? Het zou ongeloofwaardig zijn als de duurzame voordelen van een gemeenschappelijke munt niet opwegen tegen de conjuncturele schommelingen in een overheidstekort.

Aan de invoering van een gemeenschappelijke munt in een aaneengesloten economisch gebied kleven grote voordelen en enkele nadelen. Stabiele wisselkoersen (en één munt is daarvan de uiterste vorm) leiden in hun algemeenheid tot welvaartsgroei. De vraag waar het om gaat is of de bevolking in het gebied met de gemeenschappelijke munt bereid is om, behalve de voordelen, ook de nadelen ervan te dragen. Een gemeenschappelijk monetair beleid kan immers regionaal sterk uiteenlopende effecten hebben, afhankelijk van de economische flexibiliteit op andere terreinen. Anders gezegd: het beoogde EMU-gebied moet een behoorlijke economische samenhang vertonen.

Het Verdrag van Maastricht zegt niets over de moeilijk te kwantificeren micro-economische convergentie zoals de managementsstijl van het bedrijfsleven, de invloed van de sociale partners, de traditie van staatsinterventie. Frankrijk, Duitsland en Nederland, om drie landen te noemen, zitten wat economische cultuur betreft verschillend in elkaar. Dat geldt ook voor Limburg en Friesland, voor Nedersaksen en Beieren of voor de Pas de Calais en de Provence. Toch heeft niemand in deze streken moeite om respectievelijk de gulden, D-mark of franc te aanvaarden, omdat sprake is van een overkoepelende nationale staat met alles wat daarbij hoort aan emoties en economisch beleid - en dat concept ontbreekt bij een Europese munt, alle pleidooien voor een politieke unie ten spijt.

IN EUROPA TEKENT zich wel een onmiskenbaar proces af van naar elkaar toegroeiende macro-economische grootheden zoals inflatie en overheidstekorten. Ook de landen die buiten de kerngroep van de monetaire unie zullen vallen, vertonen een aanpassing in de richting van de Europese norm. Eén van de tastbare resultaten van het EMU-proces is dat de druk op overheden om hun begrotingen op orde te brengen, enorm is toegenomen. Deze saneringen zijn dringend gewenst. De overheidsschuld in de Unie-landen is zorgwekkend hoog en moet, los van EMU-normen en conjunctuur, snel omlaag gebracht worden. De gemeenschappelijke munt dreigt ten onrechte in die discussie meegezogen te worden.

De euro heeft de mogelijkheid om uit te groeien tot een stabiele munt met het voordeel van een machtig economisch gebied als rugdekking en met het potentieel van een wereldmunt. Een aantal landen van de Europese Unie zal daaraan kunnen (en willen) meedoen. En deze monetaire eenheid zal ongetwijfeld leiden tot nauwere samenwerking tussen de EMU-kerngroep in de zich uitbreidende Europese Unie van de volgende eeuw.

Maar wil de introductie van de euro volgens schema in 1999 kans van slagen behouden, dan moet de groep van landen waar het om draait - inclusief Nederland - snel helderheid verschaffen. Want als de autoriteiten slechts blijven hameren op naleving van de criteria tegen de richting van de economische conjunctuur in, zal de steun van de bevolking voor het project bij oplopende sociale problemen ongetwijfeld verder afnemen. Aan de andere kant zal doorzetting van de EMU op grond van politieke overwegingen met loslating van de toegangscriteria vrijwel zeker uitlopen op een economische mislukking.

DE AFWEGING tussen wat politiek wenselijk, economisch gunstig en maatschappelijk haalbaar is, kan niet verborgen blijven achter de gebedsmolen van de criteria en het tijdpad van Maastricht. De euro moet alle economische seizoenen kunnen weerstaan en aan deze geloofwaardigheid moet node gewerkt worden. Voor het te laat is.