Dibbets: Monument op de Dam moet menselijker

AMSTERDAM, 27 FEBR. De kunstenaar Jan Dibbets wil het Nationale Monument op de Dam in Amsterdam aanpassen. Het uit 1956 daterende monument is aan een grondige restauratie toe. “Haal de halfronde muur weg, verwijder de top van de zuil en maak het beeld van moeder en kind vrijstaand. Dat zal het monument menselijker maken en het beter op de Dam doen passen. De zuil is dan geen teken meer, maar een sokkel.” Dibbets wil zijn plan aan de gemeente Amsterdam aanbieden.

De kunstenaar ergert zich al jaren aan het monument, een ontwerp van de beeldhouwer John Rädecker en de architect J.J.P. Oud. En hij denkt dat hij niet de enige is: “Er is vast geen normaal mens in Nederland die dit een prachtig monument vindt. Dit is niet het ideale monument om de Tweede Wereldoorlog mee te gedenken. Het mist waardigheid. Sterker nog: er kunnen grappen over gemaakt worden. De hoofdvorm deugt niet: de zuil, die pik, is toch hopeloos. Hij ademt de lulligheid van de jaren vijftig, een a-freudiaanse periode. In de jaren dertig zouden ze er nog om gelachen hebben.”

Het travertijn, de Toscaanse steensoort waar in 1956 vooral uit financiële overwegingen voor gekozen werd, is nu zo sterk door vocht aangetast dat het monument voor de restauratie waarschijnlijk gedemonteerd moet worden. Dat is volgens Dibbets het moment waarop eindelijk iets kan gebeuren. Hij noemt zijn voorstel een kleine ingreep. Niet de beelden van Rädecker, maar het stedebouwkundig ontwerp van Oud dient te worden aangepast.

Jan Dibbets (Weert, 1941) is een van Nederlands meest gerenommeerde kunstenaars. Zijn werk is aangekocht door tal van musea in binnen- en buitenland. Onlangs ontwierp hij nieuwe glas-in-lood ramen voor de gotische kathedraal van de Franse stad Blois. In Parijs maakte hij een onorthodox monument voor de Franse astronoom François Arago. Dibbets is vooral bekend door zijn 'perspectiefcorrecties'.

Het grootste probleem van het Nationaal Monument vindt Dibbets de tweeslachtigheid van het ontwerp. Rädecker was al in 1946 begonnen aan ontwerpen voor een nationaal gedenkteken. Oud werd er later bij gehaald om de beelden in de omgeving in te passen. Volgens Dibbets is dat laatste mislukt. “Het lijdt geen twijfel wie van de twee de grootste kunstenaar is. Oud is een van de beste architecten van deze eeuw. Maar ook een genie maakt wel eens een miskleun. Het monument past niet in de verhoudingen van de Dam. Het is te hoog en te klein. De muur achter de zuil neemt alle ruimte weg. Daardoor kan het gedenkteken niet ademen. De leeuwen op de twee hoeken van het monument en de frontale plaatsing tegenover het Paleis maken al duidelijk wat de voorkant van het monument is.

Pag.7: “Dam verdient een waardiger Monument”

Volgens Jan Dibbets is de urnenmuur als afsluiting van het monument helemaal niet nodig. “Beeldend gezien is die muur een dodelijke gedachte. De hoge zuil is een tragische vergissing van een groot kunstenaar. Alleen de concentrische cirkels zouden behouden moeten blijven. Die functioneren wel heel goed.” Over de beelden van Rädecker is Dibbets beter te spreken.

In totaal gaat het om drie groepen, die elk een ander aspect van de oorlog vertegenwoordigen. Het centrale reliëf bestaat uit een gekruisigde en drie geketende mannen - de bezetting. Aan weerszijden daarvan staan twee verzetshelden. Een moeder met kind - vrede en bevrijding - bekroont het geheel. “De beelden zijn door symboliek en uitvoering misschien wat ouderwets, maar in hun soort heel geslaagd. Vooral het beeld van de moeder is erg mooi.

Door de zuil is het nu bijna onzichtbaar. Als je het beeld vrijstaand maakt, kan iedereen zien hoe mooi het is, een sierlijke arabesk die boven de andere beelden zweeft. Het beeld zou veertig centimeter naar boven moeten worden geplaatst, en een tikkeltje naar links, zodat het geheel minder statisch wordt.''

De twaalf urnen met grond afkomstig van slagvelden en fusilladeplaatsen, een voor elke Nederlandse provincie en een voor Nederlands-Indië, kunnen volgens Dibbets worden ingemetseld in de lage, bredere muur die nu de basis van de urnenmuur vormt. Ook de provinciewapens kunnen daarop worden aangebracht. De urnenmuur is overigens geen idee van Oud; hij maakte al deel uit van het voorlopige monument op de Dam, dat daar in 1947 was neergezet. De zuil komt al voor op de eerste schetsen van Rädecker. Oud kreeg het verzoek beide elementen te behouden. Dat verklaart wellicht voor een deel het hybride karakter van het monument.

De moeilijke tekst van A. Roland Holst ('Nimmer van Erts tot Arend...') die in de urnenmuur is gebeiteld zal niemand volgens Dibbets missen. De 'idiote' tekst is op de muur vrijwel onleesbaar. Een beter leesbare versie is in 1986 op de achterkant van de zuil aangebracht.

Als de urnenmuur behouden moet blijven, zou er een andere plek in de stad voor kunnen worden gevonden, bijvoorbeeld in een park. Ook het groen op en om het monument zou moeten verdwijnen.

Dibbets is niet de eerste die kritiek uit op het monument. Na de onthulling in 1956 was eigenlijk niemand tevreden met het gedenkteken. Ook voor de oprichting was er al stevige kritiek op het ontwerp. In 1950 bracht de Centrale Commissie voor Oorlogs of Vredesgedenktekens, die belast was met het beoordelen van alle oorlogsmonumenten, een negatief advies uit aan de minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen. Ze had onder meer bezwaar tegen de 'gespletenheid van het ontwerp' en vond de urnenmuur 'verwerpelijk'. Het ontwerp miste 'de klaarheid en zeggingskracht die van het Nationale Monument mochten en moesten worden verlangd.' Alleen J.W.

Sandberg, toen directeur van het Stedelijk Museum in Amsterdam, sprong op de bres voor de kunstenaars. Ook hij meende dat het ontwerp 'in engere zin weliswaar niet bevredigend was, maar dat het vertrouwen moest worden geschonken aan een van onze begaafdste architecten en onze belangrijkste beeldhouwer.' Minister Rutten nam het minderheidsstandpunt van Sandberg over. 'Ik meen, dat thans genoegen zal moeten worden genomen met dit ontwerp, dat blijkbaar datgene is, wat Nederland op dit gebied in het huidige tijdsgewricht kan opbrengen', schreef hij in 1951 aan de minister-president. 'Latere geslachten zullen wellicht eerst in staat zijn het peil daarvan op zijn wezenlijke waarde te bepalen.'

Een van de opvolgers van Sandberg heeft zich onlangs ook in de discussie over het monument gemengd. Rudi Fuchs, nu directeur van het Stedelijk Museum, sprak zich in Het Parool uit voor aanpassing van het monument. 'De autoriteiten moeten een kunstenaar van nu opdracht geven een alternatief te ontwerpen, wat mij betreft met behoud van de beelden van Rädecker', schreef hij op 3 februari in zijn column. Dibbets biedt zijn plan nu belangeloos aan de gemeente aan.

“Misschien maak ik me belachelijk door me hier over op te winden.

Maar als kunstenaar ben je verplicht je mond open te doen. Het is zo eenvoudig om op de Dam een beter, waardiger monument neer te zetten. Al 25 jaar denk ik als ik er langs loop: pik eraf, beeld erop, muurtje weg en klaar is kees.''

    • Bianca Stigter