Buitenland erkent homohuwelijk niet

DEN HAAG, 27 FEBR. Gehuwde homoseksuele paren zullen in het buitenland te maken kunnen krijgen met tegenwerking. Dat is een van de belangrijkste overwegingen van staatssecretaris Schmitz (Justitie) om de samenlevingsmogelijkheden voor homoseksuelen te beperken tot een 'geregistreerd partnerschap', zoals dat in Denemarken, Noorwegen en Zweden al bestaat. Dat partnerschap geeft twee partners van hetzelfde geslacht bijna dezelfde rechten en plichten als gehuwden. Uitzonderingen zijn de familierechtelijke relatie tussen het kind van een van de partners en de niet-biologische ouder, en de mogelijkheid tot adoptie van kinderen. In tegenstelling tot gehuwden van verschillend geslacht kunnen geregistreerden van gelijk geslacht dat volgens het kabinetvoorstel niet, overeenkomstig het registreret partnerskap in de Scandinavische landen.

Huwelijken tussen twee personen van hetzelfde geslacht zijn nog nergens ter wereld mogelijk. De vraag zal dus zijn of andere landen gehuwde homoparen uit Nederland zullen erkennen. Schmitz vroeg zich bij het schrijven van de in september gepubliceerde nota Leefvormen in het familierecht al af of de 'openstelling' van het huwelijk internationaal “op enige acceptatie” kan rekenen.

Niet-erkenning van een huwelijk tussen twee partners van 'gelijke kunne' kan ertoe leiden dat een van de partners in een land buiten de Europese Unie geen werk- of verblijfsvergunning krijgt als de ander daar moet werken. Bij overlijden van de partner in het buitenland is het de vraag of de nalatenschap wel toekomt aan de in dat land niet-erkende echtgenoot. Medische beslissingen over een in het buitenland verblijvende zieke zullen vermoedelijk over het hoofd van de echtgenoot door de familie moeten worden genomen. Overigens verwacht het kabinet niet dat Nederland internationaal-rechtelijke verplichtingen schendt als het huwelijk tussen twee mannen of twee vrouwen mogelijk wordt.

In verscheidene landen zijn de afgelopen jaren pogingen gedaan om via de rechter juridische erkenning te krijgen voor homoseksuele paren. In Duitsland oordeelde het constitutionele hof in 1993 dat het verbod op homoseksuele huwelijken niet in strijd is met de Grondwet. Een gelijksoortige uitspraak deed in Nederland de Hoge Raad. Die besliste in 1990 dat artikel 1 van de Grondwet, dat discriminatie verbiedt, geen verandering brengt in de lezing van de wet dat het huwelijk een verbintenis is tussen man en vrouw. De exclusiviteit van het heteroseksuele huwelijk is niet in strijd met de Grondwet of het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens, aldus de Hoge Raad. Wel maakte de Hoge Raad een opening voor niet-heteroseksuele paren bij de overweging dat sommige rechtsgevolgen van het huwelijk ook zouden moeten gelden voor twee personen van hetzelfde geslacht die duurzaam samenleven. Daarbij kan worden gedacht aan het wettelijk erfrecht, het pensioenrecht en het recht op alimentatie. Die zaken wil het kabinet regelen met de geregistreerde partnerschap voor homoseksuelen.

Verschil met het 'echte' huwelijk blijft dat een niet-biologische ouder nooit een ouder kan worden. Die uitzondering wordt ook gemaakt in de wetgeving in Denemarken (sinds 1989), Noorwegen (1993) en Zweden (1995). In die landen werd ook de gemeenschappelijke adoptie van kinderen uitgesloten voor geregistreerde partners. De belangrijkste overweging daarbij is dat landen die adoptiekinderen afstaan bezwaar kunnen maken tegen adoptie door homoseksuele paren. Dat argument gold ook voor het Nederlandse kabinet. Verreweg de meeste adoptiekinderen in Nederland komen volgens Schmitz uit China, Sri Lanka en India. Het kabinet staat vooral huiverig tegenover adoptie door homoseksuelen omdat in China en Sri Lanka homoseksualiteit strafbaar is gesteld.

In tegenstelling tot de wetgeving in de Noordse landen gaat het Nederlandse voorstel ervan uit dat ook heteroseksuele partners die - om welke reden ook - niet willen trouwen, zich kunnen laten registreren.

    • Rob Schoof