Waarschuwing dat ook familieleden bij ontrouw worden geliquideerd; Vuurgevecht in Bagdad eerder executie

De twee mannen die volgens de officiële Iraakse lezing vrijdag de twee schoonzoons van president Saddam Hussein in een vuurgevecht doodschoten en daarbij zelf om het leven kwamen, hebben zaterdag een heldenbegrafenis gekregen in hun geboortestad Tikrit. De Iraakse overheid maakte daarmee aan de bevolking duidelijk dat de liquidatie van de “teleurgestelde verraders” (de schoonzoons) door de hoogste gelederen werd toegejuicht.

Aan het hoofd van de stoet liepen Uday en Qusay, de twee zoons van Saddam Hussein, alsmede Izzat Ibrahim, de vice-voorzitter van de Revolutionaire Commando Raad (het hoogste gezagsorgaan van Irak) en de vroegere minister van defensie, Ali Hassan al-Majid, beter bekend als 'Ali Chemicali' omdat hij in 1988 duizenden Iraakse Koerden liet vergassen. Ali Hassan al-Majid, die de laatste tijd een onbeduidende functie bekleedt in de Ba'ath-partij, zwoer na de vlucht van de twee schoonzoons dat zijn clan - de Majids - hen zou doden.

Die belofte werd - als men de officiële berichtgeving moet geloven - vrijdagavond ingelost. Maar het verhaal over het vuurgevecht moet zeer waarschijnlijk naar het rijk der fabelen worden verwezen. De twee volgens de Iraakse media gedode “helden en martelaren” waren neven van Saddams schoonzoons, en één van hen, Tha'ir Abdelkader al-Majid, was de schoonzoon van Ahmed Hassan Bakr, de vroegere Iraakse president. Om 'gezondheidsredenen' moest Bakr in juli 1979 aftreden en plaatsmaken voor zijn vice-president Saddam Hussein. Hij overleed ten gevolge van een hartinfarct. In Irak is het echter een publiek geheim dat Bakr door Saddam om het leven werd gebracht. Dat werd nog eens bevestigd door Hussein Kamel tijdens zijn verblijf in Jordanië. Volgens kringen in de Iraakse oppositie is het uitgesloten dat de - op een zijspoor gezette - schoonzoon van de door Saddam vermoorde ex-president Bakr uit vrije wil zijn neven zou hebben gedood om Saddam genoegdoening te verschaffen.

Algemeen vermoedt men dat er helemaal geen vuurgevecht is geweest, maar een executie. Naast de twee 'helden' kwamen volgens de officiële versie de twee schoonzoons van Saddam, hun jongere broer Hakim, hun vader, alsmede “twee voorbijgangers en een kind” - om het leven.

Het verhaal van de schietpartij tussen de Majids onderling “om de geschonden eer van de clan te wreken” moest de schijn ophouden dat Saddam zijn amnestie-belofte aan zijn schoonzoons niet had gebroken. Volgens de uit Irak afkomstige politicoloog drs. Fuad Hussein schrijft de Arabische bedoeïenen-traditie voor dat wie een ander in zijn huis binnenlaat, hem daarmee niet alleen vergiffenis schenkt, maar ook bescherming biedt. “Saddam kon onmogelijk publiekelijk toegeven dat hij achter de moord stond. Want zeker de helft van zijn lijfwachten zijn zowel zijn eigen neven en achterneven als die van zijn vermoorde schoonzoons. Dus moest dat verhaal van de met bloed gezuiverde familie-eer worden gefabriceerd.”

Fuad Hussein en anderen die met de situatie in Irak vertrouwd zijn, zijn er dan ook van overtuigd dat de zaterdag zo gevierde “helden en martelaren” in werkelijkheid zèlf slachtoffers waren - geliquideerd door Saddams naaste vertrouwelingen. Hoe en waar het gezelschap werd vermoord, is onbekend en onderwerp van uitbundige speculaties door de buiten Irak verschijnende Arabische media. Feit is echter dat journalisten het huis waar de schietpartij zou hebben plaatsgehad, niet mochten bezoeken. En van meet af aan was het niet geloofwaardig dat de twee schoonzoons van Saddam en hun jongere broer (die samen met hen in augustus naar Jordanië was gevlucht) na hun terugkeer in Irak over wapens zouden hebben beschikt, waarmee zij hun aanvallers konden doden.

Veel aannemelijker en geheel in overeenstemming met Saddams praktijken is het dat de president een duidelijk voorbeeld stelde om aspirant-verraders te waarschuwen dat niet alleen zij, maar ook hun familieleden bij gebleken ontrouw geliquideerd worden. Het is zelfs mogelijk dat de zaterdag zo gevierde 'helden' gedwongen werden om hun familieleden af te schieten en daarna zèlf werden gedood. Want ook dàt is een niet ongebruikelijke praktijk in Saddams Irak.

Blijft de vraag waarom de drie naar Jordanië gevluchte broers naar Irak terugkeerden. Zij waren op de hoogte van de gangbare methoden, die zij zelf naar hartelust hadden toegepast. Daarom móesten zij weten hoe zwart hun toekomst was. Duizenden Iraakse opposanten zijn immers in de loop der jaren, ondanks de door Saddam gegeven amnestiebeloften, na terugkeer vermoord. Werden de broers met specifieke beloften om de tuin geleid? Of dachten zij door hun familieband met Saddam afdoende te worden beschermd? Hoe het ook zij, zij geloofden dat zij de wraak van Saddam en zijn zoon Uday konden ontlopen.

Dat is volgens een lid van de oppositie minder vreemd dan het lijkt. “Jarenlang leefden de broers in de beschermde kring van de machthebbers, waar men zich alles kan permitteren wat God heeft verboden. Onze machthebbers roven, martelen, moorden en verkrachten naar believen. Zij maken niet alleen het volk, maar ook zichzelf wijs dat de fantastische nederlaag in de oorlog om Koeweit 'de moeder van alle overwinningen' was. Wie in zo'n droomwereld leeft en de macht heeft om alles wat daarmee in tegenspraak is in bloed te smoren, heeft uiteindelijk geen besef meer van de realiteit. Bij zulke lieden ontstaat het gevoel het eeuwige leven te hebben.”