Tragiek van een oud theatermaker; De Appel speelt Thomas Bernhard

Voorstelling: De Toneelmaker van Thomas Bernhard door toneelgroep De Appel. Vertaling: Janine Brogt; regie: Aus Greidanus; decor: André Joosten; spel: Eric Schneider, Fiet Dekker ea. Gezien: 24/2 Appeltheater Den Haag. Aldaar t/m 28/4 en in juni. Tournee: 1/5 t/m 1/6.

De Toneelmaker van Thomas Bernhard is als veel van zijn stukken bijna een monoloog. Er zijn weliswaar vijf personages, maar vier van hen zijn voornamelijk zwijgend aanwezig. Vooral aan het woord is Bruscon, een oudere theatermaker die met zijn vrouw en twee volwassen kinderen door de Oostenrijkse provincie trekt om de door hemzelf geschreven 'mensheidskomedie' Rad der Geschiedenis op te voeren. Tijdens de voorbereidingen voor een optreden in een deprimerend zaaltje in Utzbach, “een dwerggemeente” van 280 zielen, leren we hem kennen als een bezeten kunstenaar met een tiranniek karakter, die klaagt en commandeert en kritiseert.

Bruscons visie op de wereld is bitter en cynisch, overtuigd als hij is van de domme talentloosheid van zijn medemens. Hevig kan hij zich opwinden over de proletariërs en het socialisme die Europa in een ruïne hebben veranderd, over de nazi's waarvan het land nog steeds vergeven is, over zijn gezin (“talentloos gebroed”), over zijn vrouw die de “toneelhel” niet binnen gaat omdat ze altijd haar tekst kwijt is, over vrouwen in zijn vak die enerzijds nodig zijn maar anderzijds “de dood voor het toneel” betekenen, over het feit dat hij moet optreden in een gat als Utzbach, over de gedachte dat tijdens zijn voorstelling op last van de brandweer de noodverlichting blijft branden, over varkensstank, over vetogen in de soep.

Eric Schneider, die in de voorstelling van De Appel de getergde theatermaker speelt, is de rol op het lijf geschreven. Vanaf de eerste minuut waarin hij staand in de deuropening vol stille ontzetting het troosteloze zaaltje in ogenschouw neemt, tot het slotbeeld waarin hij verslagen op het podium achterblijft terwijl het publiek nog voor aanvang van de voorstelling de zaal uitstroomt om naar een brand in de pastorie te kijken - vanaf die eerste tot de laatste minuut is hij Bruscon tot in zijn vingertoppen. Zijn spel is ingehouden, subtiel en precies; de stiltes die hij inlast zijn vaak even veelzeggend als de intonatie waarmee hij de korte staccato-zinnetjes van Thomas Bernhard kleurt. Hij toont de tragiek van zijn personage, diens megalomanie en tegelijk benadrukt zijn spel hoe bijzonder komisch de tekst dikwijls is.

De overige spelers bieden Schneider uitstekend partij. Ondanks hun zwijgende rollen zijn Hubert Fermin (zoon), Saskia Mees (dochter) en Fiet Dekker (mevrouw Bruscon) dwingend aanwezig. Onvergetelijk is Henk Votel als de waard die de zaal beheert. Met zijn stuurse kop kijkt hij naar Bruscon als naar een wezen van een andere planeet. Wat de man zegt gaat grotendeels langs hem heen, maar als het woord vrouw valt is hij plotseling een en al hunkerend oor.

Het vreugdeloze bestaan van de waard weerspiegelt zich in zijn café waar de tijd stil heeft gestaan. Boven de deur hangt een kruis en aan een van de fletsgroene muren ontdekt Bruscon temidden van geschilderde alpenweitjes en oude foto's een vergeeld portret van Hitler.

Het decor van André Joosten is geheel in stijl met de zorgvuldige naturalistische enscenering van Aus Greidanus. Zijn regie getuigt van grote aandacht voor tekst en spel. Het resultaat is een voorbeeldige voorstelling.