Rotterdam herdenkt Eduard Flipse met concert, boek en heruitgave van Mahleropnamen; Als een generaal voor zijn troepen in de Ahoy'

De honderdste geboortedag van de Rotterdamse dirigent Eduard Flipse wordt vanavond in De Doelen herdacht door het Rotterdams Philharmonisch Orkest, waarvan Flipse van 1926 tot 1962 dirigent was. Ook verschenen een boek over Flipse en een cd met o.a. de opname van zijn legendarische uitvoering van Mahlers Achtste symfonie.

Concert: R. Ph. O. o.l.v. Jan Latham-Koenig met premières van Jeths, Bokelmann, De Graaf & Sauer; Van Vlijmen: Pianoconcert (solist: Sepp Grotenhuis); Roussel: Bacchus et Ariane, tweede suite. 26/2 20.15 uur Doelen Rotterdam. Vanaf 19.15 uur randprogramma.

Het boek 'De glorie is voor zweet te koop' (ƒ 39.95) en de 3-dubbel-cd met de Zesde en de Achtste symfonie van Mahler (ƒ 79.95) zijn te bestellen door overmaking van de prijs (verhoogd met ƒ 5,- verzendkosten) op postgiro 412549 (Eduard Flipse Stichting, Spijkenisse). Tel. 01880-19136.

“De glorie is voor zweet te koop.” Zo'n uitspraak kan alleen afkomstig zijn van een èchte Rotterdamse dirigent. Eduard Flipse, wiens honderdste geboortedag vandaag wordt herdacht met een concert, een boek en een driedubbel-cd, was ook bijna veertig jaar lang dé Rotterdamse dirigent. Vanaf 1926, dus in moeilijke tijden van crisis, oorlog en verwoesting van de oude Doelen, werkte hij zich in het zweet voor zijn Rotterdams Philharmonisch Orkest. Flipse regelde alles, het drukken van de programma's, het uitdelen van noodrantsoenen aan de musici èn de concerten.

Het boek 'De glorie is voor zweet te koop' portretteert de uit hetNoordbevelandse Wissenkerke afkomstige Flipse als dirigent van koren en orkesten in Rotterdam en Antwerpen, als componist en als stimulator van eigentijdse muziek: hij leidde 101 wereldpremières. De Rotterdamse recensent Dersjant beschreef Flipse als 'een manusje van alles': “Als je hem zijn gang laat gaan, gaat hij óók nog in de kassa zitten om kaartjes te verkopen.” En de musicoloog prof. Reeser karakteriseerde Flipse, twee jaar na zijn dood in 1973, als “een veldheer en een potentaat, de generaal voor zijn troepen”.

Die verheven martialiteit toonde Flipse op het moment van zijn grootste glorie: de uitvoering van Mahlers Achtste symfonie op 3 juli 1954 in de Rotterdamse Ahoy', waarvan de plaatopname nu opnieuw is uitgebracht. Flipse was de glorieuze overwinnaar van het moeizaam totstandgekomen en langdurig voorbereide evenement, waarbij de 'Symphonie der Tausend' werd uitgevoerd in een nog maar half wederopgebouwde stad zonder concertzaal. Concerten werden destijds gegeven in de Rivièra-hal van diergaarde Blijdorp en de Schouwburg. De nieuwe Doelen werd pas in 1966 geopend.

Reeser zelf was de initiator van de Rotterdamse Achtste: hij was bestuurslid van de Nederlandse afdeling van de Internationale Gustav Mahler Gesellschaft en voorzitter van de Maatschappij tot Bevordering der Toonkunst. Het 125-jarig jubileum van Toonkunst moest worden gevierd met een uitvoering van Mahlers Achtste, die in ons land niet meer was gehoord sinds het Mahler Feest in 1920 en een uitvoering in 1929 ter gelegenheid van het 100-jarig bestaan van Toonkunst, beide door het Concertgebouworkest onder leiding van Mengelberg.

De Rotterdamse Achtste in de Ahoy' had plaats in het Holland Festival voor een publiek van 10.000 toehoorders. Het concert was ook een herinnering aan de viering van het 25-jarig bestaan van Toonkunst in 1854. Toen werd in Rotterdam een houten feesttent opgericht, waar 4.000 concertgangers - onder wie Franz Liszt - getuige waren van een aantal door Johannes Verhulst geleide koorevenementen: Beethovens Negende, Händels Israel in Egypt en Die Jahreszeiten van Haydn.

De Mahler-uitvoering in de Ahoy' was er een met historische en reusachtige dimensies. De Rotterdamse solocellist Willem de Jong, die van 1907 tot 1918 lid was van de Münchener Philharmonie, had nog meegespeeld tijdens de door Mahler zelf gedirigeerde wereldpremière van het stuk in een tentoonstellingshal in München op 12 september 1910.

In de Ahoy' werd een orgel gebouwd en een podium van 38 bij 24 meter, waarop inderdaad duizend uitvoerenden stonden. Het Rotterdams Philharmonisch Orkest was versterkt met 56 leden van het Brabants Orkest. Er waren elf solisten en naast de koren van De Stem des Volks (van Linker- en Rechter Maasoever) stonden daar nog negen koren uit Rotterdam en omgeving.

In totaal 22.000 mensen hoorden Flipse's Achtste, want de belangstelling was zo groot dat ook de generale en de voorgenerale publiek toegankelijk waren. Uit heel Europa en zelfs uit Amerika kwamen Mahler-liefhebbers. Onder hen was ook de dirigent Otto Klemperer, die Flipse na afloop complimenteerde: “Ich wusste nicht dass Sie so gross sind.” Klemperer, die bij de première in München aanwezig was geweest, zei dat Mahler gespeeld moet worden zoals hij dat zelf in de partituur aangeeft en dat Flipse dat onnavolgbaar deed. Leonard Bernstein verklaarde veel later tegen Edo de Waart dat Flipse's opname zijn eigen registratie verre overtrof. Flipse en zijn orkest werden in 1958 door de Mahler Gesellschaft geëerd met gouden Mahler-medailles.

De heruitgave van de Philips-opname van de legendarische uitvoering, die nu verkrijgbaar is bij de Eduard Flipse Stichting, samen met de opname van Mahlers Zesde symfonie (1955), plaatst de Rotterdammer Flipse fonografisch op één lijn met de Amsterdamse Mahler-dirigenten Willem Mengelberg en Eduard van Beinum. Van Mengelberg hebben we slechts platen van de Vierde symfonie en het Adagietto uit de Vijfde en van Van Beinum zijn er alleen platen van de Vierde, Das Lied von der Erde en de Lieder eines fahrenden Gesellen.

Maar niet alleen kwantitatief kan Flipse zich als Mahler-dirigent op de plaat meten met zijn Amsterdamse collegae. De interpretaties van de Zesde en de Achtste symfonie maken nog steeds grote indruk - ze zijn bijzonder direct en hebben een zeer dramatische en vaak aangrijpende werking, vooral het tweede deel van de Achtste. Flipse neemt in de Achtste een langzaam tempo: met 83 min. 55 sec. is zijn opname langer dan elke andere die ik ken, behalve die van Lorin Maazel (89.39). Maurice Abravanel zag met het Utah Symphony Orchestra kans het stuk te beëindigen na 75 min. 26 sec.

In die Achtste laat Flipse meer dan ik van andere dirigenten hoorde het typisch Mahleriaanse karakter van de muziek in stand: de losse collagevorm, met verrassende contrasten in sfeer. Ondanks de massale bezetting klinken er telkens weer passages als pure kamermuziek. En in de Zesde treffen naast de dringende, energieke delen de etherische scènes waarin plots de koebellen zijn te horen. Ze worden door Flipse en zijn Rotterdammers gespeeld met een sterk emotionerende magisch-surrealistische werking.

    • Kasper Jansen