Harmonisering drugsbeleid in Europa is nodig; Nederland moet zich aanpassen

Het liberale Nederlandse drugsbeleid staat in de buurlanden steeds meer ter discussie. Frankrijk maakt zich zorgen om de bloeiende Nederlandse drugsexport en de aantrekkingskracht van de lage drugsprijzen op de Franse jeugd. In een open Europa is een zo afwijkend beleid als het Nederlandse niet vol te houden, voorspelt de Franse ambassadeur Bernard de Montferrand. Aan oplossingen is nu meer behoefte dan aan polemiek, vindt hij.

Bij het lezen van de Nederlandse kranten, de afgelopen weken, werd ik bevangen door een boze droom. Ik dacht dat een ernstige crisis onze twee landen scheidde. Terwijl ik dagelijks het tegendeel zie: de Frans-Nederlandse relatie is stevig en bestaat al lang, en Europa heeft haar heden ten dage echt nodig.

Ik zeg dat niet uit liefde voor holle frasen of omdat mijn beroep van ambassadeur mij zou verplichten tot optimisme. Ik kijk naar de feiten. Sinds het begin van de Europese opbouw hebben onze twee landen waarschijnlijk nog nooit zo dicht bij elkaar gestaan aangaande tal van belangrijke onderwerpen. Het eerste onderwerp waarbij wij hetzelfde doel nastreven is natuurlijk Europa zelf. Aan de vooravond van een nieuwe uitbreiding die de Unie dreigt te doen verwateren, zijn onze twee landen overtuigd van de noodzaak voor de grondleggers van de Unie om Europa samen sterk, gestructureerd en dynamisch te houden. Onze landen zijn zich bewust van hun verantwoordelijkheid en delen derhalve vele gemeenschappelijke ideeën om de doelmatigheid van de besluitvorming en de democratische verankering van de Unie te verbeteren. Het recente bezoek aan Den Haag van de Franse minister van Europse Zaken heeft vooruitgang in die richting mogelijk gemaakt en getuigt van het nauwe overleg tussen onze twee landen in de voorbereidingsfase van de Intergouvernementele Conferentie.

Onze standpunten ten aanzien van de Europese Economische en Monetaire Unie en de overgang tot één munt staan zeer dicht bij elkaar. Onze belangen zijn ook zeer nauw verwant wat het gemeenschappelijke landbouwbeleid betreft, daar onze twee landen beschikken over een zeer produktieve landbouw met een hoge exportcapaciteit. Deze opmerkelijke verworvenheid wensen zij te behouden.

Ten slotte noopt de analyse van onze ervaringen met de Joegoslavische crisis en van de nieuwe strategische situatie in Europa ons tot een toenadering op het gebied van defensie en veiligheid. Trouw als wij zijn aan het Atlantisch bondgenootschap, wensen wij allen dat Europa over militaire capaciteiten beschikt die het in staat stellen te handelen wanneer de Verenigde Staten daartoe niet bereid zijn.

Moet ik hieraan toevoegen dat onze twee landen behoren tot degenen in Europa die zich het meest inspannen voor de ontwikkelingshulp en die wensen dat de Unie zich solidair toont met het Zuiden?

Deze eenvoudige opsomming laat zien dat wat ons verenigt veel sterker is dan wat ons kan scheiden. De heer Van Mierlo heeft het dezer dagen tegenover mij herhaald en ik weet dat er in Parijs net zo over wordt gedacht. Overigens bouwt onze politieke wil nu al 35 jaar aan het verenigd Europa, en veel bouwstenen zijn aangebracht dankzij compromissen tussen Nederland en Frankrijk. Daarom kunnen de ernstige meningsverschillen die wij mogen hebben over sommige onderwerpen, zoals drugs, de toestand van onze relatie niet weergeven. Tussen landen die zo dicht bij elkaar liggen is het een plicht serieus samen te werken aan een onderwerp dat zwaarwegend is voor onze maatschappijen en de toekomst van onze jeugd. Van Franse zijde is de situatie zoals wij die zien eenvoudig. Nederland heeft besloten op het gebied van de drugsverslaving een beleid te voeren dat sterk afwijkt van elk ander beleid dat wordt toegepast in de overige Europese landen. Dat beleid kent een belangrijke medische component, en leidt tot een de facto straffeloos maken van softdrugs.

De externe gevolgen van dit beleid zijn niet aanvaardbaar. - Door het 'prijsverschil' dat dit beleid met zich meebrengt oefent Nederland een aanzienlijke aantrekkingskracht uit op het 'drugstoerisme', dat vooral bestaat uit jongeren en drugssmokkelaars uit alle omringende landen; in 1994 zijn 24 jonge Fransen in Nederland overleden aan een overdosis. - Het merendeel van de drugs die in Europa worden onderschept komt uit Nederland. In Frankrijk is dat het geval voor 80 procent van de chemische drugs en voor 65 procent van de harddrugs die de politie en de douane onderscheppen. De cijfers in Duitsland en Engeland wijken daar niet veel van af. Overigens heeft de heer Van Traa, in het rapport van zijn commissie, zich bezorgd getoond over de macht van de criminele kringen die zich bezighouden met verdovende middelen in Nederland.

Ondanks de resultaten die het Nederlands beleid op bepaalde gebieden kan hebben bereikt, betreuren de meeste Europese landen de gevolgen ervan in het buitenland. Om er maar een paar te noemen: Duitsland, recentelijk nog bij monde van zijn staatssecretaris van Binnenlandse Zaken, en Zweden, bij monde van zijn minister-president, hebben deze stand van zaken betreurd. Iedereen weet dat het hier niet gaat om een puur Frans-Nederlandse aangelegenheid. Onlangs nog heeft het orgaan van de Verenigde Naties dat belast is met de controle op de verdovende middeln (INCB) geoordeeld dat Nederland de internationale verdragen die het getekend heeft, met name de Conventie van de Verenigde Naties over de handel in verdovende middelen van 1988, niet respecteert.

Deze zaak is tegenwoordig essentieel voor alle Europese landen, en wel om twee redenen. Ten eerste: de volledige inwerkingtreding van het Verdrag van Schengen zal worden geweigerd door de burgers als zij niet gepaard gaat met een grotere coördinatie en doelmatigheid van de strijd tegen de drugshandel. Artikel 71 van het Verdrag van Schengen schept zeer duidelijke verplichtingen op dit punt. Ten tweede: drugsverslaving en drugshandel zijn maatschappelijke problemen die in een open Europa niet afwijkend behandeld kunnen worden door sommige landen, zonder dat dit problemen veroorzaakt voor alle. Een harmonisering is daarom noodzakelijk. Ook dat is Europa.

Zo zien wij de zaken. Frankrijk heeft Nederland nooit een bepaalde drugsverslaafdenpolitiek willen opdringen. De doelstelling die wij delen met de Nederlandse regering is om de negatieve buitenlandse consequenties te vermijden van de politiek die zij in alle soevereiniteit heeft besloten te voeren. Zo hebben de heer Kok en de heer Chirac in oktober besloten een werkgroep op hoog niveau in te stellen om de samenwerking tussen onze twee landen in de strijd tegen de smokkel op het gebied van justitie, douane en politie te verbeteren. Op de Top van Madrid heeft de Europese Raad een onderzoek ingesteld om na te gaan of de harmonisering van de wetgevingen kan bijdragen tot vermindering van de vraag naar en verbetering van de strijd tegen drugs. Voorts heeft Nederland voorgesteld en aangekondigd dat een top van Duitsland, de Benelux en Frankrijk de werkzaamheden van de Frans-Nederlandse werkgroep zou bekronen.

Wij hebben gezamenlijk besloten dat een langere termijn nodig was om een dergelijke ontmoeting zinvol te maken. In de tussentijd is een aantal reeds opgenomen maatregelen onmiddellijk toegepast. Zo zullen Franse douane-ambtenaren in Rotterdam aanwezig kunnen zijn en Nederlandse douane-ambtenaren in Marseille. De justitiële procedures zullen versneld doorgegeven worden. Onze politiekorpsen zullen beter samenwerken, ondanks hun structuurverschillen. Deze Frans-Nederlandse werkgroep heeft al veel werk verricht, en Frankrijk heeft tot doel deze exercitie serieus en efficiënt voort te zetten.

Frankrijk wenst vooruitgang te boeken in de beperking van de externe gevolgen van de Nederlandse drugspolitiek. Een paar voorbeelden: hoe kan worden voorkomen dat de coffeeshops nog illegale activiteiten ontplooien? Hoe kunnen de handel in cannabiszaden die zich niet comformeert aan de gemeenschappelijke wetgeving en de teelt van deze plant beperkt worden? Er dient ook nagedacht te worden over de manier waarop onze wetgevingen naar elkaar toe kunnen groeien. Is het reëel dat in een open Europa de justitiële praktijken en teksten aangaande drugsverslaving en bestraffing van de handel in drugs zo veel verschillen dat de straf van een crimineel in Nederland vaak lager zal zijn dan in andere landen van de Unie?

Ik weet dat men in Nederland deze onderwerpen niet graag ziet aangesneden, maar zijn zij te vermijden tussen Europese buren? Indien wij ze serieus en doelmatig willen besturen moeten wij mijns inziens aan twee voorwaarden voldoen: - Laten wij de polemiek en de vertekeningen vermijden, het onderwerp is er te ernstig voor. De Nederlandse politiek ten aanzien van drugs is bijzonder in Europa en heeft gevolgen in het buitenland. Dit te zeggen is geen aantasting van de soevereiniteit van Nederland, en velen in het land zelf vragen zich af of deze politiek juist is. Laten wij ook het beeld niet vertekenen door te zeggen dat het in Frankrijk 'een en al repressie' is en in Nederland 'een en al gezondheid'. Iedereen weet best dat dat niet waar is. - De dialoog is des te noodzakelijker daar een diepe culturele kloof Frankrijk en Nederland scheidt, ondanks onze geografische nabijheid. Deze dialoog wordt sinds twee maanden efficiënt gevoerd binnen de Frans-Nederlandse werkgroep en wij moeten hem voortzetten. Ik van mijn kant zal hem proberen te bevorderen door in Den Haag werkvergaderingen te organiseren tussen de parlementariërs uit het Noorden van Frankrijk en de leden van de Staten-Generaal die daartoe bereid zijn. De Europese geest, dat is allereerst de eerbied voor de vrijheid en de identiteit van eenieder, maar het is ook de naleving van sommige regels zonder welke geen gemeenschappelijk leven mogelijk is op ons oude continent. Wanneer Nederland en Frankrijk een geschil hebben is het nooit om bijzaken. De drugskwestie is zo belangrijk voor onze toekomst en die van onze kinderen omdat drugs de cohesie van onze maatschappijen kunnen aantasten en onze opvatting van de waardigheid en de vrijheid van de mens op het spel zetten.

Laat deze kwestie ons niet verdelen. Laten wij integendeel, door samen aan een oplossing te werken, de Europese opbouw doen vooruitgaan. Het is de beste dienst die wij Europa tegenwoordig kunnen bewijzen. Europa heeft de Frans-Nederlandse dynamiek nodig.

    • Bernard de Montferrand