Doeken waar alle rumoer vreemd aan is

Tentoonstelling: Gerrit Willem van Blaaderen. Museum Kranenburgh, Hoflaan 26, Bergen. T/m 5 mei. Di t/mzo 13-17u.

Het werk van de schilder Gerrit Willem van Blaaderen (1873-1935) werd in zijn tijd beschreven in termen die men nu niet meer zo snel in een beeldende kunst-recensie zal aantreffen: zijn schilderijen werden geprezen om hun deftigheid, ze werden voornaam genoemd, beschaafd en gedistingeerd. Hoe vreemd die termen nu ook lijken, ze zijn nog steeds van toepassing op het werk van Van Blaaderen. Uit al zijn schilderijen, zijn landschappen, bloemstillevens, rivier-, haven- en stadsgezichten, straalt een superieure kalmte.

Van Blaaderen zocht zijn hele leven rust en ruimte, alle rumoer was hem vreemd. Hij hield van de Noordhollandse polders om hun roerloze uitgestrektheid, van bedaard kabbelende rivieren, van stilstaande, onder het loof verscholen vijvers, van uitgestorven witte dorpjes tegen een groene berghelling, van verlaten boerenerven of een haven bij avond met groepjes zwijgende, over het water starende vissers. Bij het schilderen van deze motieven zocht Van Blaaderen naar een evenwichtige, beheerste compositie en een tere, onnadrukkelijke weergave van kleurschakeringen.

Er is niets frivools in zijn werk, het is zelden extreem of dramatisch. De manier waarop hij zichzelf portretteerde, wekt dan ook geen verbazing: als een keurig, introvert heerschap. Dit zelfportret, vermoedelijk uit het begin van de jaren twintig, is geschilderd in ingehouden tinten bruin en beige. Door die kleurstelling, de houding van de figuur en ook de achtergrond, waarop vaag en schematisch enkele aan de muur hangende schilderijen zijn weergegeven, doet dit portret onmiddellijk denken aan het beroemde zelfportret van Mondriaan uit 1918. Maar Van Blaaderen gaf zichzelf niet Mondriaans zelfbewuste en uitdagende gelaatsuitdrukking. Vanonder zijn hoed kijkt hij ons eerder bedeesd en verlegen aan.

Na een impressionistische periode kwam Van Blaaderen in 1913 door zijn vriendschap met Leo Gestel in de sfeer van de Bergense School. Vanaf 1918 verbleef hij steeds vaker in Bergen en in 1921 ging hij hier wonen. Dat hij van alle Bergense-Schoolschilders de meest onbekende zou blijven, ligt waarschijnlijk minder aan zijn werk dan aan zijn karakter: hij leidde een teruggetrokken leven, meed de publiciteit, was veel in het buitenland en deed in de laatste vijftien jaar van zijn leven nog maar zelden mee aan exposities. Na 1927, toen zijn tweede vrouw was overleden, verviel hij steeds vaker in depressies en heeft hij weinig meer geschilderd.

Op de tentoonstelling van Van Blaaderen in het museum Kranenburgh in Bergen is nu voor het eerst een groot aantal schilderijen van hem bijeen gebracht. Doordat de werken niet chronologisch zijn gerangschikt, maar naar het land waar ze geschilderd zijn - Nederland, Frankrijk, Italië - is Van Blaaderens ontwikkeling lastig te volgen. Zo hangen in de eerste zaal zowel de door de Haagse School beïnvloede landschappen die hij omstreeks 1900 in Laren schilderde, als zijn late werk uit Bergen dat daar hemelsbreed van verschilt: monumentale doeken met een hechte compositie van contrasterende elementen. Op welke manier zijn schilderijen in de twintig tussenliggende jaren veranderden, is pas in de volgende zalen te zien. Tussen 1900 en 1906 schilderde Van Blaaderen in Laren de toen gangbare motieven van een heidelandschap of een boerin op het erf. Maar hij onderscheidde zich van de andere Larense schilders door de heldere kleuren en ook door de korte, naar het pointillisme neigende streekjes, zoals goed te zien is op het doek Vrouwtje in boomgaard (1902-'06). Toen hij in 1907 in Frankrijk aan de oevers van de Seine ging schilderen, brak de zon pas echt door in zijn werk en werd zijn palet als bij toverslag lichter. Zoals hij een late impressionist was, zo was van Blaaderen ook een late, en dan nog zeer gematigde, kubist. Pas in zijn Italiaanse dorpsgezichten uit 1924 zijn de vormen onmiskenbaar door het kubisme, maar misschien nog meer door Cézanne, beïnvloed.Van Blaaderen was een verwoed kunstverzamelaar en hij verkeerde in de gelukkige positie dat hij het werk van Cézanne in zijn huiskamer kon bewonderen. De in Italië geschilderde doeken uit 1924, zoals La strada, Nella Città, en La Città, zijn allemaal composities van een dorpsstraat tegen een berghelling met daarachter een blauwe lucht. Het grootste deel van deze schilderijen wordt in beslag genomen door blinde, gepleisterde muren. Het ritme van de tientallen achter elkaar oprijzende muurvlakken, in kleur variërend van oud-roze tot goor-grijs, moet hem mateloos hebben bekoord.

Soms schilderde hij tussen al die muren een enkele grillige boom, of een vrouw die de straat afdaalt, maar het was hem er toch vooral om te doen leven en ordening te brengen in zoiets saais als een willekeurige verzameling kale muren. Deze Italiaanse composities horen met de Bretonse havengezichten uit 1920 tot zijn mooiste werk. Terug in Bergen versomberde zijn palet en in de enkele doeken die hij hier nog heeft voltooid, zou hij zijn Italiaanse schilderijen niet meer evenaren.