Corruptieschandaal raakt hart politiek India

NEW DELHI, 26 FEBR. De een na de ander vallen dezer dagen van corruptie verdachte Indiase politici. De oogst was vorige week aanzienlijk: vier federale ministers en een deelstaatpremier moesten het veld ruimen op verdenking van het aannemen van steekpenningen.

Half januari, toen het onderzoek naar het zeer omvangrijke omkoopschandaal in een stroomversnelling raakte, waren ze al voorgegaan door drie ministers, oppositieleider Lal K. Advani, die zijn zetel in het parlement voorlopig opgaf, en een stoet van andere politici en bureaucraten.

De zaak beperkt zich namelijk allerminst tot de regerende Congrespartij van premier Narasimha Rao. Ook de grootste oppositiepartij, de Bharatiya Janata Party (BJP), en de linkse Janata Dal zijn er veel dieper bij betrokken dan hun lief is.

Rao zelf is tot dusverre buiten het schandaal gebleven en heeft zelfs handig politiek kapitaal weten te slaan uit het ongemak van veel van zijn rivalen. Toch zijn er aanwijzingen dat ook de handen van de premier minder schoon zijn dan hij het doet voorkomen.

De Indiase recherche, de CBI, verdenkt zo'n honderd politici en bureaucraten ervan in maart 1991 aanzienlijke sommen geld te hebben aangenomen van een rijke zakenman, S.K. Jain, in ruil voor hun medewerking bij het verwerven van bepaalde orders. Tegen 43 verdachten lopen intussen officiële aanklachten.

Jain zou behalve voor zichzelf ook als agent van bedrijven als Alsthom en Asean Brown Boveri zijn opgetreden en de politici behulpzaam zijn geweest bij het illegaal bemachtigen van buitenlandse valuta. Wegens die geldwisselarij wordt de kwestie in India als de hawala-affaire aangeduid. In totaal zou Jain ruim dertig miljoen gulden aan steekpenningen hebben betaald.

Het spijtige voor de betrokken politici is dat hun initialen en de ontvangen bedragen allemaal stonden vermeld in het dagboek van Jain. Dat werd bij een inval in maart 1991 door de politie in diens woning even buiten de hoofdstad New Delhi in beslag genomen. Het is daardoor moeilijker dan gewoonlijk bij zulke omkoopzaken om de eigen onschuld vol te houden.

De kwestie is aan het rollen gekomen op een uiterst kritiek moment. Binnen twee tot drie maanden moeten de volgende parlementsverkiezingen worden gehouden en ook Indiase politici voeren niet graag campagne met een duidelijk stigma van corruptie. Weliswaar weten de kiezers dat de meerderheid van de politici het bij de werving van de broodnodige fondsen voor hun verkiezing niet zo nauw neemt, maar ze stemmen liever op iemand die dat discreet doet dan op iemand die als duidelijk corrupt te kijk staat.

Het merkwaardige is dat de zaak vier jaar lang is voortgesukkeld zonder dat de CBI zich inspande om welke politicus dan ook te vervolgen. Dat dit nu, kort voor de verkiezingen, wel gebeurt, duidt er volgens velen op dat een en ander nauwkeurig is geregisseerd door premier Rao, onder wiens gezag de CBI valt.

Feit is dat het schandaal wonderwel is uitgepakt voor de premier, die de afgelopen maanden nogal in het defensief was geraakt door een reeks andere gevallen van vermeende corruptie binnen zijn kabinet. Weliswaar heeft hij zeven ministers uit zijn kabinet zien vertrekken, maar verscheidene van hen golden als potentiële rivalen voor hem. Alle steunpilaren van de 74-jarige Rao zijn buiten schot gebleven.

Zo mogelijk nog belangrijker is de schade aan de BJP, die zich juist opmaakte voor een campagne tegen corruptie en wanbestuur van de Congrespartij. Dat uitgerekend haar eigen leider Advani nu wordt verdacht van het aannemen van steekpenningen, heeft de partij zwaar getroffen. Daarbij kwam vorige week het ontslag van Madan Lal Khurana, de BJP-premier van de stadsdeelstaat New Delhi. Ook hij zou uit de ruif van Jain hebben meegegeten.

Daarnaast heeft de CBI aanklachten ingediend tegen de voornaamste leiders van een afsplitsing van Rao's Congrespartij. Zowel Arjun Singh als N.D. Tiwari, die de afgelopen paar jaar Rao en diens beleid van economische liberalisering onafgebroken hebben gekritiseerd, zal zich voor de rechter moeten verantwoorden wegens een rol in het hawala-schandaal.

Voorts zijn enkele vooraanstaande politici van Janata Dal in opspraak geraakt. De enige partijen met een onbevlekt blazoen in de hawala-zaak zijn de communistische. Dat is nu natuurlijk een voordeel, maar het duidt er ook op dat Jain hun invloed te gering achtte om daar zijn geld aan te verspillen.

En premier Rao? Die blijft tot woede van de oppositie tot nu toe eveneens buiten schot. Zijn initialen komen niet voor in Jains dagboek. Wel heeft Jain vorig jaar tijdens verhoren verklaard dat hij via tussenpersonen ook een slordige 25 miljoen rupees (1,2 miljoen gulden) naar Rao had gesluisd, nadat die in de zomer van 1991 premier was geworden. Maar de CBI heeft de afgelopen weken in het openbaar vraagtekens achter die verklaring gezet en de zaak niet verder vervolgd. Vorige week bevestigde de recherche opnieuw geen aanleiding te zien om het onderzoek naar de juistheid van Jains uitlatingen door te zetten.

In de media en ook door de oppositie is al gesuggereerd dat de recherche haar hoogste chef met opzet met fluwelen handschoenen aanpakt. De meer agressieve speurders binnen de CBI kunnen zich echter beroepen op een recente uitspraak van het zeer gerespecteerde Hooggerechtshof dat niemand boven de wet is verheven, ook de premier niet. Het valt dan ook niet uit te sluiten dat de tot dusverre voor hem zo gunstig verlopen affaire ook voor Rao een onaangenaam staartje krijgt.

    • Floris van Straaten