Coloradokever

In juni 1947 vormde de Plantenziektenkundige dienst in Wageningen acht mobiele brigades om de coloradokever te bestrijden. Dit bleek niet voldoende te zijn. Toen de kevers massaal op de Nederlandse stranden aanspoelden, werd ook het leger ingezet, dat het beestje met vlammenwerpers te lijf ging. Bovendien werden op grote schaal schoolkinderen ingezet, die een cent konden verdienen voor een jampot vol kevers.

Omdat de coloradokever sinds het begin van de jaren vijftig in Nederland niet meer op grote schaal voorkomt, denkt menigeen dat het beestje ook mondiaal bedwongen is. Niets is minder waar. Met name in Noord-Amerika, Rusland en Oost-Europa is de kever de grootste plaag in de aardappelteelt. Een definitief bestrijdingsmiddel is nog steeds niet gevonden omdat de kever steeds resistentie ontwikkelt tegen de chemicaliën die hem een tijdje onder de duim houden.

De geschiedenis van de coloradokever is in 1971 grondig in kaart gebracht door landbouwhistoricus H.K. Roessingh. Anders dan de naam doet vermoeden, komt 's werelds meest gehate kever oorspronkelijk niet uit de Amerikaanse staat Colorado. Hij is afkomstig uit Midden-Amerika, waarschijnlijk uit Mexico, maar in 1823 werd hij in Colorado ontdekt, op de oostelijke hellingen van de Rocky Mountains. De Amerikaan Thomas Say gaf het beestje in 1824 de wetenschappelijke naam Doryphora decemlineata. De kever voedde zich toen nog op een voor de landbouw oninteressante wilde nachtschadesoort.

Maar tussen 1845 en 1850 veranderde hij van dieet. De spoorlijn bereikte toentertijd het verspreidingsgebied van de kever en met de kolonisten kwam de aardappel. Al gauw stapte de kever van zijn oorspronkelijke voedselplant over op de cultuuraardappel.

Op de aardappelplant bleek de kever een ongekende vruchtbaarheid te ontwikkelen. Wijfjes leggen 1200 tot 1800 eieren per seizoen. De kevers vreten de bladeren van de aardappelplant op, zodat de knollen zich slecht of helemaal niet ontwikkelen.

Vanuit Colorado trokken de kevers in oostelijke richting, naar Nebraska. In 1859 werd daar voor het eerst grote schade aan de aardappelvelden aangericht. Vanaf dat moment trok de potato-bug of colorado-bug, zoals de Amerikaanse boeren hem noemden, de algemene aandacht.

In 1861 bereikten de kevers de Missouri, in 1864 passeerden ze de Mississippi en in 1871 het ruim 150 km brede Michiganmeer. Als schipbreukelingen staken ze dat jaar op drijvende planken en boomstammen het Eriemeer over en begonnen verwoestingen aan te richten in Canada. Ze lieten zich meevoeren met de wind, maar maakten ook gebruik van vrachtwagens, stoomboten en vooral van de spoorweg - toen de grootste verkeersader van west naar oost. Vijftien jaar na de eerste berichten over schade in Nebraska had de kever al de Atlantische kust bij New York bereikt.

In de nazomer van 1874 waren de havenhoofden van Hoboken en Brooklyn met kevers overdekt en op het water lag een handdikke laag. In de volgende twee zomers kon je in sommige badplaatsen niet langs het strand lopen zonder de kevers in grote aantallen te vertrappen en soms was zwemmen onmogelijk. In september 1875 waren de duinen en heuvels op Coney Island met een levende massa bedekt.

Vanzelfsprekend probeerde men alles om de kever te bestrijden. Roessingh beschrijft uitvoerig hoe men proeven nam met zeep, tabakswater, carbolzuur, helleboruspoeder, chloorkalk, kopersulfaat, kalk- en loodarsenaat. Het enige wat een tijd leek te helpen was parijs-groen, maar omdat dit arsenicum bevat, kwam het tot felle debatten over bodemverontreiniging. Even vreesde men dat de kever de aardappelteelt in de Verenigde Staten helemaal onmogelijk zou maken, en de prijs van de aardappel ging twee- tot driemaal over de kop.

In Europa bleef een en ander niet onopgemerkt. Er werden soms nieuwe aardappelrassen uit Amerika geïmporteerd en schepen namen vanuit de Verenigde Staten aardappels mee als proviand. Het overschot werd dikwijls verkocht. Men was bang dat het insekt langs deze weg ongewild zou worden ingevoerd.

Op 3 juli 1875 werd de invoer en doorvoer van aardappels uit de VS en Canada in Nederland verboden. Ook in Duitsland en Frankrijk gold zo'n verbod.

Het mocht niet baten. Op 14 juni 1876 werd in Bremen een levende coloradokever aangetroffen op een zak met Amerikaanse maïs. Eind juni 1877 vond een douanebeambte in de haven van Rotterdam een coloradokever naast een zojuist geloste kist met uien. Het insekt werd naar Den Haag gestuurd en beschreven in een brochure. De kist uien werd op last van de regering verbrand. “Het gevaar, dat ons tot heden van verre dreigde”, schreef een krant, “is dus in ons midden.”

De eerste echte infectiehaard in Europa werd in juni 1877 gevonden in Duitsland, op een terrein van 1/3 hectare bij Mühlheim aan de Rijn. In een paniekreactie stak de plaatselijke overheid het hele terrein in de fik. Toen nader onderzoek uitwees dat er nog veel poppen in de grond zaten, werd de bodem doordrenkt met kaliloog. Ook een tweede haard werd volledig uitgeroeid.

De vondsten in Duitsland baarden veel opzien. Ook de commercie stortte zich nu op de kever. Er kwamen coloradokever-manchetknopen op de markt en een coloradokever-kastje; een distilleerderij in Mühlheim bracht 'Colorado-bitter' in de handel, met een kleurenafbeelding van de kever.

Doordat men snel en doortastend optrad, kreeg de kever in de 19de eeuw in Europa geen vaste voet aan de grond. Maar in 1922 liep het alsnog mis. Dat jaar bleek de kever zich bij Bordeaux over een terrein van 25.000 hectare te hebben verbreid. Waarschijnlijk waren de kevers in het laatste jaar van de Eerste Wereldoorlog meegelift met Amerikaanse transportschepen. Bestrijding was wellicht nog mogelijk geweest, maar de plaatselijke bevolking werkte niet mee. Daarom kon de coloradokever vanuit Bordeaux langzaamaan grote delen van Europa veroveren. In 1937 bereikten de kevers Nederland. Ze zijn nooit meer helemaal weggegaan.

    • Ewoud Sanders
    • Met Dank aan J.J.A. van Loon