Aftocht van Russen uit Ingoesjetië

MOSKOU, 26 FEBR. Russische legereenheden zijn vanmorgen begonnen zich terug te trekken uit Ingoesjetië, de Russische deelrepubliek die aan Tsjetsjenië grenst, nadat zij daar de afgelopen dagen twee dorpen hebben beschoten.

De aanvallen hebben geleid tot beschuldigingen door de plaatselijke autoriteiten dat het Russische leger bezig was de oorlog in Tsjetsjenië uit te breiden naar de naburige republieken.

President Roeslan Ausjev van Ingoesjetië, die de Russische legerleiding zaterdag van 'krankzinningheid' beschuldigde, heeft gisteren in onderhandelingen met die legerleiding de terugtrekking afgedwongen.

Het 58ste Russische leger voerde sinds donderdag artilleriebeschietingen uit op de dorpen Galasjki en Arsjty. De twee dorpen werden door Russische troepen van de buitenwereld afgesloten. Volgens de commandant van het 58ste leger, generaal Gennadi Trosjev, hadden Tsjetsjeense rebellen vanuit de omgeving van die dorpen zijn troepen beschoten. Daarbij zouden veertien Russische soldaten zijn gedood.

Na de onderhandelingen gisteren gaf president Ausjev, een voormalige Sovjet-generaal en hooggedecoreerd in de oorlog in Afghanistan die zowel in zijn eigen republiek als in Moskou wordt gerespecteerd, tegenover het persbureau Interfax zijn versie van de gebeurtenissen. Russische troepen waren via Ingoesjetië opgerukt naar het Tsjetjeense plaatsje Bamoet, zonder dit vooraf aan de autoriteiten van Ingoesjetië te melden. “Toen de Doedajevtsi [de strijders van de separatistische Tsjetsjeense president Doedajev] achter de troepenbewegingen kwamen, lanceerden ze een preventieve aanval. De Russische troepen beantwoordden die door de dorpen Arsjty en Galasjti onder vuur te nemen.” Zes burgers zijn bij de dagenlange beschietingen volgens de president om het leven gekomen. Generaal Trosjev heeft na afloop van de onderhandelingen geen commentaar gegeven.

Op de grens van Tsjetsjenië en Ingoesjetië wordt al langer gevochten. Het Tsjetsjeense plaatsje Bamoet, dat op loopafstand van de grens met Ingoesjetië ligt, wordt door de Russische legerleiding beschouwt als een basis van Tsjetsjeense rebellen. De Ingoesjetische regering heeft altijd ontkend dat Tsjetsjeense separatisten een schuilplaats vinden in de dorpen aan de andere kant van de grens. Na het begin van het Russische offensief in Tsjetsjenië, in december 1994, zijn wel naar schatting honderdduizend Tsjetsjenen naar de buurrepubliek gevlucht.