Vermaak

GERARD ROOIJAKKERS: Volksgebruiken in het oude Brabant

176 blz., geïll., SUN 1995, ƒ 29,50

Uit Eer en schande van Gerard Rooijakkers leren wij dat de carnavalsviering zoals wij die kennen, de organisatie van een optocht met wagens door de straten, een modern verschijnsel is dat zich pas gedurende de laatste eeuw uit 'Oeteldonk' ('s-Hertogenbosch) over het Brabantse land heeft verpreid. De traditionele vastenavondviering vóór die tijd omvatte zulke dolle pret als 'ganstrekken, papegaaischieten en hoendersmijten'. De Brabantse historicus moge bij hoog en laag beweren dat al dat folkloristisch geweld nog zo gek niet was, en zijn nut had bij het opmaken van de sociale rekeningen in de boerengemeenschappen, over de teloorgang van de meeste volksgebruiken hoeft de lezer geen heimwee te koesteren.

In tien hoofdstukken die corresponderen met evenzoveel radioprogramma's die Rooijakkers afgelopen jaar voor de regionale omroep hield, onthult hij de praktijken van 'spinningen', 'nachtlopen', 'kwanselbieren', en 'bekkesnijden', en doet de gewoonten rond kraambed, bruiloft en begrafenis uit de doeken. Schuttersgilde, kermis en carnaval, de liefhebber heeft niet te klagen. De liefhebber zal ook vaststellen dat veel van de stof, en daarmee is dan het volkenkundig materiaal bedoeld, is genomen uit Rooijakkers' proefschrift Rituele repertoires. Volkscultuur in oostelijk Noord-Brabant. 1559-1853 (1994). Maar de theoretische bespiegelingen beperken zich in Eer en schande tot een paar opmerkingen per hoofdstuk, niet meer dan een bevestiging en uitbreiding van hetgeen in het het eerste hoofdstuk over het 'Brabants eigene' gezegd wordt.

In de radiolezingen ligt het accent ook op oostelijk Brabant, en de periode die de historicus in ogenschouw neemt begint maar iets later, na de inneming van den Bosch door Frederik Hendrik in 1629, dan in het eerdere werk. Zo rijst een beeld op van de worsteling die de Brabanders tot in de negentiende eeuw met een, op zijn vriendelijkst gezegd, achterdochtige protestantse overheid hadden te voeren. Veel verslaggeving van de plattelandscultuur komt uit de koker van gereformeerde predikanten die in deze contreien een beschavingsmissie meenden uit te voeren. Soms mengde zich trouwens de katholieke clerus, die de volkse zeden ook niet altijd met welgevallen bezag, in het conflict. Een enkele maal trekt Rooijakkers de lijn door naar de katholieke emancipatie aan het einde van de negentiende eeuw toen de worsteling tussen de volksdelen in een nette concurrentiestrijd verkeerde.

In het eerste hoofdstuk waarschuwt de schrijver voor de naïeve veronderstelling dat al dat 'boerenbont' dat nu door de VVV en heemkringen aan de man, in casu de toerist, gebracht wordt van alle tijden was. Zoals gezegd hebben tradities als het carnaval meermalen van jasje gewisseld, en de eerder vermelde dierenmishandeling is een bewijs dat de omgangsvormen wel eens minder gezellig waren dan de gasten aan de Brabantse koffietafel nu denken.

Het 'pièce de résistance' zijn de volksgerichten, een term van later datum die de vele geweldadige reacties van een gemeenschap op gezichtsverlies omvatte. Een weduwe kon naar de smaak van het dorp te snel hertrouwen, een man zijn vrouw te vaak afranselen, een schout de boetes voor stroperij te ijverig opleggen, een gereformeerde predikant had al gauw te veel praatjes, en voor straf werd vervolgens haar of zijn stoep onder de stront gesmeerd, of gingen de ruiten aan diggelen.

Rooijakkers is geneigd al dat ressentiment een plaats te geven in een wat hij een 'systeem van giften' noemt, een onzichtbare balans die erover waakte dat ieder het zijne kreeg: de kraamvrouw een krentenmik, en de strenge pastoor een gevilde ree aan zijn kerkdeur.

In zijn proefschrift kon Rooijakkers de verdediging van die 'wederkerigheidsgedachte' meer ruimte geven dan in deze causerieën. De verspreide opmerkingen over 'eer en schande' naar volkse begrippen lijken nu wel eens een vèrgezocht excuus voor wrede gewoonten. Die gewoonten worden overigens met sprekende voorbeelden en mooi beeldmateriaal verhaald.

    • Samuel de Lange