Vaderland

Ian Fleming, de thriller-schrijver en schepper van geheim agent 007, raakte tijdens de Tweede Wereldoorlog zo verknocht aan zijn werk voor de inlichtingendienst van de Britse marine dat hij er na de oorlog in zijn journalistieke beroep nog jaren stiekem mee doorging.

Zijn biograaf Andrew Lycett omschrijft die stiekemheid lakoniek als een naoorlogse dienst aan het vaderland, die van hogerhand trouwens actief werd aangemoedigd. Fleming zag in de combinatie van journalistiek en spionage geen enkel principieel of ethisch gevaar en hij kon het jarenlang volhouden doordat ook zijn collega's van de Sunday Times er geen been in zagen af en toe een uurtje extra voor de geheime dienst te werken. Die collega's waren de journalisten van het buitenlandse correspondentennet van de Kemsley-pers, dat onder de weidse naam 'Kemsley Imperial and Foreign Service' zowel de lokale Evening Chronicle in Newcastle en de Press and Journal in Aberdeen als de nationale Sunday Times van eigen nieuws voorzag.

Ian Fleming hield zich de eerste jaren na de oorlog hoofdzakelijk bezig met de organisatie van de buitenlandse berichtgeving van de Kemsley-bladen, genoemd naar hun eigenaar Lord James Gomer Berry Kemsley, een van de machtigste 'Press Lords' van zijn tijd, die als life-peer in het Hogerhuis zat. In zijn pontificale functie van 'Foreign Manager' van de Sunday Times had Fleming dagelijks om en nabij tachtig correspondenten onder zijn hoede, die over heel de wereld verspreid zaten en non-stop berichten en beschouwingen naar hun hoofdkwartier in Londen stuurden.

In Ian Flemings biografie (Andrew Lycett, Ian Fleming, London, 1995) vertelt een collega dat hij Fleming in de zomer van 1946 achter een indrukwekkend bureau aantrof, druk in de weer met het verzamelen van de dagelijkse nieuwsproduktie. De lampjes die op een wereldkaart achter Fleming voortdurend aan en uit flitsten markeerden de plaatsen waar zijn correspondenten op dat moment naar hun deadline toewerkten. De collega vond dat Fleming er een gewichtigdoenerige show van maakte, maar wist niet dat de chef-buitenland een bastaard was die maar met één been in de journalistiek stond en met zijn andere been in de geheime dienst van de marine.

Volgens Andrew Lycett beschouwde Fleming het naoorlogse correspondentennet van Kemsley als een verlengstuk van de geheime dienst. Hij liep er niet mee te koop, want hij realiseerde zich wel dat de onafhankelijke journalistiek geen inwoning van de overheid verdroeg, maar dat verhinderde hem niet bij het aanstellen van correspondenten rekening te houden met hun eventuele geschiktheid voor de geheime dienst. De voorwaarde was uiteraard dat de liefde van twee kanten kwam, maar dat was blijkbaar steeds het geval. Lycett schrijft dat Fleming gedurende zijn bewind als 'foreign manager' van de Sunday Times (voordat hij bij de krant vertrok en zich full-time op het schrijven van zijn James Bond-thrillers toelegde) hoofdzakelijk journalisten in het buitenland aanstelde die hij nog uit zijn marinetijd kende en die min of meer dezelfde achtergrond hadden als hij.

Lycett geeft het voorbeeld van de ook buiten Engeland bekende journalist Antony Terry, een voormalige, bij de overval op St. Nazaire (1942) gevangen genomen officier van het Britse leger, die na de oorlog enige jaren doubleerde als correspondent van de Sunday Times en als tipgever/agent van de SIS, de Britse geheime dienst. In het geval van Terry lag het zwaartepunt zelfs andersom: Terry werd als geheim agent in Wenen aangesteld en Fleming verschafte hem een dekmantel om zich vrij in het openbare leven te kunnen bewegen. Ook de diplomatieke redacteur van de Sunday Times in Washington, Henry Brandon (geboren Brandeis in Tsjechoslowakije) was jarenlang een belangrijke troef van de Britse geheime dienst.

Ian Fleming koesterde zijn tweevoudige loyaliteit niet clandestien, maar met de volle instemming van zijn werkgever Lord Kemsley. En het vermoeden bestaat dat deze niet de enige Britse uitgever was die zijn personeel tot dienstbaarheid aan de geheime dienst aanmoedigde. Anthony Cavendish, die zelf bij de Britse geheime dienst (en voor MI6) had gewerkt, onthulde een aantal jaren geleden in zijn boek Inside Intelligence dat veel Britse journalisten tijdens en kort na de Tweede Wereldoorlog voor de geheime inlichtingendienst schnabbelden, maar in het bijzonder die van de Kemsley-pers. “Kemsley gaf vrijwel al zijn buitenlandse correspondenten toestemming met de geheime dienst samen te werken en stelde zelfs MI6-functionarissen als correspondent aan.” Cavendish is minder mededeelzaam over de activiteiten van de Britse journalistieke spionnen dan Lycett, die meer bijzonderheden geeft over de 'situation reports' waaruit de geheime schnabbels bestonden. De correspondenten stuurden regelmatig 'sitreps' in, waarin vertrouwelijk de achtergronden van de politieke ontwikkelingen in hun deel van de wereld werden geschetst. Die achtergrondberichten waren nadrukkelijk “niet voor publikatie bestemd”.

De Britse praktijk van journalistieke spionage heeft in Nederland nooit op vergelijkbare schaal navolging gevonden. De NRC en het Algemeen Handelsblad stonden hun Berlijnse correspondenten in de jaren dertig toe nevenwerkzaamheden te verrichten voor het documentatiebureau-Drion (voluit: Nationaal Bureau voor Documentatie over Nederland), dat in feite voor Buitenlandse Zaken werkte, maar dat maakte die correspondenten nog niet tot geheim agenten. Dat geldt ook voor de relatie tussen de Nederlandse journalistiek en GS III. De sectie inlichtingen van de Generale Staf onderhield in 1939 wel nauwe betrekkingen met Nederlandse journalisten die goed ingevoerd waren in de militaire toestand, maar die vloeiden meer voort uit de omstandigheden dat in Den Haag iedereen iedereen kende dan uit een geheim dienstverband. Officiële dubbelrollen, met correspondenten op de pay-roll van de geheime dienst, zijn hier althans nooit bekend geworden.

    • Harry van Wijnen