Uitslag lezers-prijsvraag; De eetbare slootkant

De Buitenlustprijsvraag van dit jaar - Wat doen we met de oevers - was gericht op een probleem dat in dit waterland vrij veel moet voorkomen: hoe pas je een sloot of andere waterweg aan bij je tuin? Hoe beplant of ontwerp je de oevers van een aangrenzende sloot, vaart, gracht, wetering? Wat kun je doen om de lijnen te verzachten, het er uit te laten zien of het erbij hoort, dieren en vogels aan te moedigen, een plek te maken vanwaar je kunt hengelen, of je nostalgisch kunt voelen, of die geschikt is om groente te verbouwen. Niet van de jury (Lien Heyting & Sarah Hart) maar van onze lezers, begiftigd met verbeeldingskracht en initiatief, moest het antwoord komen.

Hoe moeilijk dit zou zijn kwam naar voren in een brief van een lezer, die en passant een foto insloot van een door hem aangelegde schitterende watertuin, en mijmerde dat de taak van de jury 'haast ondoenlijk moet zijn, gelet op het sterke 'ideaalbeeld' dat bestaat van Nederlands oevers en wateren.' En hij had gelijk: als er in het Hollandse landschap iets is waar de mensen een 'ideaalbeeld' van hebben dan zijn dat de waterwegen.

Ze zijn zo buitengewoon recht en onbuigzaam, en ze zijn niet je eigendom; heel begrijpelijk dat zo weinig tuiniers zich er rekenschap van geven. Je ziet tuinen die gewoon abrupt stoppen, als voor een afgrond, tuinen waarin de oevers van de waterweg zijn weggewerkt zodat je het water niet kunt zien, en nieuwbouwwijken waar de waterkant ge-'landschapt' is met een houten vlonder per tuin en om de andere tuin een pol riet, en bestrooid met houtsnippers tussen de vrouwenmantel. Ik zag laatst een rij van dergelijke huizen tegen een sloot en het drong tot me door dat ik nooit eerder had gedacht dat iets er beter uit zou kunnen zien zonder water.

Maar in onze prijsvraag waren geen restricties: je waterweg mocht de tuin aan vier zijden omsluiten, haar recht doorsnijden, of het kon het gangbare stuk water zijn aan het eind van de tuin. De grootste moeilijkheid bleek het vermijden of op oorspronkelijke manier verwerken van de conventionele rij knotwilgen. Interessant om te zien hoe weinig mensen de treurwilg gebruikten; als dit een Engelse prijsvraag was zouden we er onder zijn bedolven. Immers het Engelse ideaalbeeld van de waterkant is een rivieroever bij Oxford, met geschoren gras, een of twee treurwilgen en een punter met mensen in het wit. In zo'n landschap zien de Engelsen de harpen aan de bomen hangen.

Terug naar Nederland: niemand stelde voor de sloot op te blazen of met beton te overdekken. Ook niemand die er dammen in wilde. Ik denk trouwens dat die niet mogen; de sloot is niet iets dat je in eigendom hebt. Veel bruggen waren er ook niet en maar één inzender noemde het wegschaatsen vanaf je vlonder. Er waren een paar zeer extreme voorstellen, zoals van iemand zo geïnspireerd door al dat water dat hij/zij zijn/haar tuin voorzien had van een zwembad omgeven door tegels, en een waterkant met een borrelende fontein. Voor de rest waren er niet meer dan een paar boten en een of twee vissers - de meeste mensen waren tevreden met het genieten van het uitzicht vanuit het uiteinde van de tuin, in gezelschap van de dieren die in die omgeving zouden kunnen gedijen.

Hoe zouden zij hun slootkant dan beplanten? Niet eenvoudig. Na het lezen van de inzendingen werd ik zeer jaloers op al die mensen met sleutelbloemen - ik troostte me maar met de gedachte dat we te maken hebben met fictie. Er was, niet verwonderlijk, ontzettend veel riet en evenzo groot hoefblad, plus nog heel wat min of meer inheemse marginale waterplanten.

Een andere moeilijkheid is of je het behandelt als een deel van de tuin of als een los iets op zichzelf, en het bleek dat voor dat laatste veel is te zeggen. De gedachte door een opening in de heg te gaan en dan een stukje moerassige watertuin te vinden is heel aanlokkelijk. Een aantal inzenders beschreef hun eigen echte slootkant, wat fascinerend is, hoewel ze aan het eind van hun beschrijving soms bekenden dat ze nog niet zo ver waren gevorderd, of dat een vitaal ingrediënt nog ontbrak, zoals schoon water. Voorts was er een bruisende subklasse van droom-slootkanten, ook heel interessant.

En dan waren er de nostalgische oevers, zoals een beschrijving van 'riet zoals ook groeit langs de sloten in de Zaanstreek (uitzicht trein tussen Krommenie en Koog-Zaandijk).' En de praktisch georiënteerden, die zich afvroegen hoeveel van hun ontwerp de ravages zou kunnen doorstaan van woelratten en konijnen, die immers denken dat tuincomplexen uitsluitend voor hun gerief zijn aangelegd. En excentriekelingen, die de Hollandsheid van de waterkant wilden benadrukken door er tulpen te planten.

Niet alle inzendingen hadden wat met tuinieren te maken, of waren niet in de strikte betekenis een individuele oplossing van een vraagstuk. De macht van dat befaamde ideaalbeeld was zo sterk dat veel mensen zich tevreden stelden met het beschrijven van een bestaande oever, wat niet echt de bedoeling van de prijsvraag was. Maar de winnaars kunnen hier niet van beschuldigd worden: alle drie hebben de kwestie grondig onderzocht, om vervolgens aan te komen met zeer verschillende oplossingen.

We besloten om inplaats van een eerste en tweede prijs twee eerste prijzen (ƒ 250,- in boekenbonnen elk) toe te kennen, aan H.F. van der Linde uit Nijmegen en Dr Ir. J.A.H. Hendriks uit Oosterbeek. Ze hadden allebei zulke voorbeeldig strenge denkbeelden dat het ons onmogelijk was tussen hen te kiezen. Ook kunnen zij geen van beiden bevreesd voor extreme oplossingen worden genoemd.

De tuin van H.F. van der Linde is de definitieve sloottuin - omsloten, rechthoekig, verborgen. Van buiten gezien zou je niet weten dat binnenin een tuin was (je zou wel flink de ruimte moeten hebben om het te verwezenlijken) en het zou er vreemd, mysterieus uitzien; zelfs staande op het pad buiten zou je er niet meer van zien dan de hoge hagen. Maar van binnenuit zou het wondermooi zijn, met het groot hoefblad en de omsluitende hagen. Misschien abstract gesproken ietsje gevangenisachtig, maar verzacht door de kleuren. Een traditionele manier van beplanten op een hoogst ontraditionele wijze gebruikt.

De oplossing van J.A.H. Hendriks is uit een totaal ander universum afkomstig, maar even streng en even mooi. Het is de eetbare slootkant: een lang aflopende helling naar het water wordt beplant met parallelle rijen waterkers, rabarber en groene asperges die niet alleen voedsel opleveren, maar ook een prachtig contrast in bladvorm en hoogte. Tussen de rijen lopen nauwe paden om te kunnen oogsten, en er is een houten treden-pad dat afdaalt naar het water. Het zou een schitterend gezicht zijn, de ultieme moestuin-slootkant. Je zou er wel zeker van moeten zijn dat het slootwater schoon genoeg was voor de waterkers.

De tweede prijs (ƒ 100,- in boekenbonnen) gaat naar J.H. van Driel uit Haren voor haar Droom Waterkant, geïnspireerd op haar eigen tuin die een slootkant heeft die het grootste deel van het jaar droog staat, vooral in de zomer. Hier daarentegen zijn de oevers altijd vochtig en plaatselijk zelfs nat, en er groeit een prachtige verzameling planten, waarvan sommige speciaal bedoeld zijn om spiegelbeeldig bewonderd te worden in het water. Het is een romantische oever, met een lichte kromming, en enkele mooie planten. De koningsvaren, Osmunda regalis, is op zichzelf al in staat je in trance te krijgen.

Eervolle vermeldingen (ƒ 50);

-Wijnand Bouw uit Arnhem, voor zijn half verzonken terras met glazen zijkanten. Daar te zitten zou een beetje zijn als in het glazen zeehondenbassin in Artis, en door het glas je vis te zien voor je hem gevangen hebt moet een vreemde sensatie zijn (niet in de laatste plaats voor de vis). Dit is de slootkant naast een modern huis.

P. de Winter uit Brielle voor zijn of haar met turf beklede pilaren, druipend van water opgepompt uit de sloot. Er zouden varens groeien, elegant neerhangend van de pilaren, en daaronder een tapijt van rodgersias.

-Matthé en Helma Sjamaar uit Schalkwijk voor hun echte tuin waar een vaart doorheen loopt. Ze werden bijgestaan in hun ontwerp door het Stichts Landschapsbeheer. De vaart was 'te streng en onnatuurlijk' (hetgeen een veelvoorkomende klacht moet zijn); dit vraagstuk werd opgelost door een van de kanten uit te graven 'zodat er ondiepe kreekjes ontstaan', daarna een houtwal van 70 cm hoog.

Droom Waterkant

1. Astilboides tabularis

2. Astilbe 'Purpurlanze'

3. Anemone x hybrida 'Honorine Jobert'

4. Blechnum spicant

5. Carex elata 'Aurea'

6. Caltha palustris

7. Calla palustris

8. Cornus alba 'Spaethii'

9. Cimicifuga simplex

10. Deschampsia cespitosa 'Goldschleier'

11. Epimedium x versicolor 'Sulphureum'

12. Eupatorium cannabinum 'Flore Pleno'

13. Filipendula ulmaria 'Aurea'

14. Hosta fortunei var. aureomarginata

15. Hosta fortunei var. albopicta

16. Hosta 'Gold Standard'

17. Iris sibirica

18. Iris pseudacorus

19. Kirengeshoma palmata

20. Lythrum salicaria

21. Lysimachia nummularia

22. Ligularia stenocephala

23. Lysichiton americanus

25. Myosotis scorpioides

26. Osmunda regalis

28. Primula japonica

30. Rodgersia podophylla

31. Rheum palmatum

32. Salix daphnoides

33. Salix lanata

35. Symphytum ibericum 'Blaue Glocken'

37. Thelypteris palustris

38. Polystichum aculeatum 'Pulcherrimum'

39. Polystichum munitum

40. Alchemilla mollis

41. Primula florindae

42. Hemerocallis flava

43. Hosta plantaginea

44. Hosta 'Royal Standard'