Teugelloze theologen

Herman Philipse kan er geen genoeg van krijgen, hij gaat door. Ik heb mijn best gedaan hem vriendelijk te antwoorden (10 januari), je moet iemand niet nodeloos in de gordijnen jagen of zijn gezicht laten verliezen. Maar dat werkte kennelijk niet. Dus dan maar anders.

1. Ten eerste is het voor de lezer wellicht goed te weten dat Philipse zijn gram haalt, alsnog, over een bespreking die ik in het tijdschrift Filosofie Magazine van november 1995 heb gegeven van zijn Atheïstisch Manifest (Prometheus 1995). Daarin heb ik dat boekje - zacht gezegd - negatief beoordeeld, omdat het van premissen uitgaat (om die vervolgens te bestrijden), welke verraden dat Philipse zich niet verdiept heeft in zijn onderwerp. Dat past een filosoof niet. Zonder kennis van de vakwetenschap die je becommentarieert kun je over de grondslagen van die discipline niet goed oordelen. Of theologie nu wetenschap is of zichzelf daar alleen maar voor houdt, verandert daar niets aan: Philipse had zich moeten verdiepen in de theologiebeoefening, zoals die zichzelf presenteert. Dat doet hij niet, ook in de bijdragen aan deze krant niet. Hij wekt de indruk dat hij dat niet hoeft omdat hij het ook zo wel weet. Niet dus.

Waarom verweert hij zich niet in Filosofie Magazine? Omdat hij daarin, vermoed ik, niet de ruimte krijgt die deze krant hem bood. En zelfs dat was niet genoeg, hij moest nog eens.

2. Als voorbeeld noem ik zijn opmerking dat ik stiekem denk dat God lekker toch bestaat. Nu, mijnheer Philipse, wat een mens stiekem denkt blijft verborgen. Of ik u stiekem naar de hel of naar de hemel wens, God mag het weten, zoals dat heet. Maar in mijn boek Filosofie van de Theologie (nog steeds leverbaar) denk ik niet stiekem maar hardop en in geschrifte. En daar staat met zoveel woorden, gedrukt, zwart op wit, in de letter Plantin, corps 9,5 op 10,5, dat ik van één vooronderstelling uitga, namelijk dat het woordje God een referent heeft (pagina 78). Anders had het geen zin om theologie te bedrijven, zelfs geen godsdienstwetenschap. God is noodzakelijke voorwaarde voor godsdienst, wil je van godsdienstig geloof niet iets anders maken. In de theologie gaat het om een hoop dingen maar uiteindelijk om de vraag of er werkelijkheid aan deze drie lettertjes beantwoordt, en zo ja, welke.

3. Mijn repliek in deze krant aan Philipse hoef ik niet te herhalen. Iedereen kan alsnog lezen wat ik in 1988 en later heb geschreven. Bovendien herhaalt Philipse zich slechts in zijn laatste bijdrage, hij zegt niets nieuws. Mijn antwoord is en blijft dus hetzelfde: hij weet maar van één soort weten, namelijk dat soort dat we per afspraak 'natuurwetenschappelijk' noemen. Per afspraak, meneer Philipse, meer niet. Het succes van die afspraak is enorm. Maar het betekent allerminst dat weten beperkt is tot wat onder die afspraak valt. Een universiteit zou wel gek zijn als ze het daarbij - bij die ene soort van weten - zou laten. Filosofie is toch ook een ander soort weten dan dat van de natuurwetenschappen? Wil Philipse zijn eigen discipline soms buiten de universiteit sluiten?

4. En dat gezeur over openbaring, waar Philipse maar niet mee kan ophouden. Hij vindt het jammer dat ik mij daarop niet beroep, net zoals de behoudende christenen dat jammer vinden. Beiden omdat ze vinden dat ik het geloof op die manier van zijn fundament beroof. Maar - lees toch verder, meneer Philipse, bij voorbeeld in Zeker Weten - het geloof heeft helemaal geen fundament.

5. Intussen ben ik de heer Philipse wel dankbaar. Als emeritus hoogleraar houd ik op deze manier wat te doen.

    • H.M. Kuitert