Soldatentrauma's

HANS BINNEVELD: Om de geest van Jan Soldaat. Beknopte geschiedenis van de militaire psychiatrie

268 blz., geïll., Erasmus Publishing 1995, ƒ 44,50

“Wie het hospitaal kent, kent de oorlog”, schreef Remarque in zijn Im Westen nichts neues. Remarque bedoelde hiermee te zeggen dat een ieder die hoog opgaf van de oorlog maar eens naar de ontelbare voor altijd kapotgeschoten lijven in het hospitaal moest gaan kijken. Maar Remarque had nog in een ander opzicht gelijk. Het hospitaal geeft ook een beeld van het soort oorlog dat is gevoerd. Zoals elke oorlog van karakter verschilt, zo geeft ook iedere oorlog zijn eigen specifiek gewondenbeeld te zien.

Dit gaat niet alleen op voor het fysiek, maar ook voor de psyche van de soldaat. Die psyche is tezamen met diagnose en behandeling, het onderwerp van Hans Binnevelds Om de geest van Jan Soldaat. Beknopte geschiedenis van de militaire psychiatrie. Door het verschil in oorzaak, verschilden de aandoeningen ook in aard, hoeveelheid, en daarmee tevens in naam van elkaar. De door artillerie gekenmerkte oorlog van 1914-'18 kende zijn shell-shock, de van bewegende fronten vergeven Tweede Wereldoorlog zijn combat-exhaustion en de zenuwslopende krijg in de jungle van Vietnam de battle-stress. Wellicht dat zich over een tijd soldaten melden die lijden aan peacekeeping-frustration.

Als gevolg van een combinatie van factoren lag het aantal psychisch gewonden tijdens de Vietnam-oorlog zelf aanzienlijk lager dan in voorafgaande oorlogen in het industriële tijdperk. De psychiaters juichten, maar zij juichten te vroeg. Na afloop meldden zich veel veteranen met problemen, die in 1980 het - vergeleken met termen als shell-shock of soldiers-heart weinig inspirerende - etiket Post Traumatic Stress Disorder kregen opgeplakt. Ook deze term was een afspiegeling van de tijd. Oorlog kon geen veroorzaker van psychoses zijn, hooguit een katalysator. De oorzaak moest liggen in met name seksuele frustraties opgelopen in de jeugdjaren. Die frustraties konden door allerlei abnormale gebeurtenissen naar boven komen, waarvan oorlog er slechts één was.

Na een noodzakelijke behandeling van de geschiedenis en de verschillende vormen van oorlog - waarbij constant werd gekeken naar de psychische effecten van het type oorlog -, en na een kort overzicht van de geschiedenis van de civiele psychiatrie, komt Binneveld bij het eigenlijke onderwerp van zijn studie: de militaire psychiatrie. Die wordt meer thematisch dan chronologisch behandeld.Achtereenvolgens komen onderwerpen als de verschillende psychoses, de op de soldaten losgelaten therapieën, de basisprincipes van de militaire psychiatrie, de pogingen tot preventie en de reeds genoemde psychische problemen na afloop van de oorlog aan de orde. Dit alles in een licht ironisch, ofschoon soms wat belerend toontje, zonder overbodig gebruik van militair of psychiatrisch jargon, waardoor het toch wat zware onderwerp alleszins leesbaar blijft. Die leesbaarheid wordt verder bevorderd door het weergeven van de hilarische ervaringen met militaire psychiaters van de komiek Milligan en de natuurkundige Feynman.

Deze thematische opzet heeft wel als nadeel dat af en toe enige feitelijke informatie herhaald moet worden, maar het dient gezegd dat dit slechts een enkele maal storend werkt. Wat wel stoort is de slotbeschouwing, die niet meer blijkt dan een herhaling van eerdere, verspreid door het boek weergegeven deelconclusies.

Burgergeneeskunde

Binneveld verzuimt niet in te gaan op de twee twistpunten die de militair-geneeskundige literatuur kenmerken. Hij maakt ten eerste volkomen duidelijk dat de militaire psychiater een militair was, of, zoals Freud het uitdrukte in het begin van de jaren twintig: een mitrailleur achter het front. Niet het zieleheil van de soldaat stond hem voor ogen, maar het financiële heil van de staat of het fysieke heil van de oorlogsgod. Het tweede punt betreft de vraag of de oorlogsgeneeskunde zijn vruchten heeft afgeworpen voor de burgergeneeskunde in tijd van vrede. Ondanks enkele afzonderlijke voorbeelden van het tegendeel sluit Binneveld zich aan bij de lijn die eind jaren tachtig, begin jaren negentig door de Duitse historica Bleker en de Engelse historicus Cooter werd ingezet: de oorlogsgeneeskunde is van weinig waarde voor de geneeskundige zorg in vredestijd.

Enkele vragen blijven open. Binneveld zegt dat de psychiaters het over één ding roerend eens zijn: psychopaten horen niet in een leger thuis. Maar hoe zit het dan met de uitspraak van Simons, hoofd militair geneeskundige dienst ten tijde van de politionele acties? Psychopaten konden weliswaar als kiespijn gemist worden in vredestijd, maar in tijd van oorlog waren zij zeer geschikt voor het doorvoeren van bepaalde, noodzakelijke taken. Dat Simons hierbij vooral dacht aan activiteiten die niet snel het onderwerp van Ster-spotjes voor de krijgsmacht zullen worden, is duidelijk. Het was aardig geweest als Binneveld ook 'onze eigen, kleine oorlog' als een van de praktijkvoorbeelden had opgevoerd.

Een tweede vraag betreft het gegeven dat in omvang, dodental en verschrikking met elkaar te vergelijken offensieven tijdens de Eerste Wereldoorlog zo'n verschillend aantal psychiatrische gevallen te zien gaven. Waren de soldaten van bijvoorbeeld de derde slag om Ieper psychisch zoveel sterker dan die welke een jaar eerder bij de Somme streden? Of was de achterliggende reden dat in de tussentijd de definitie van psychiatrisch geval wat was aangepast om de verliescijfers meer binnen de perken te houden? Een derde en laatste opmerking betreft het niet behandelen van het ge-, dan wel misbruik van psychiatrische theorieën ter legitimering van bijvoorbeeld koloniale overheersing. Zo beschreef de ook door Binneveld genoemde P.G. Bourne in 1970 de persoonlijkheidsstructuur van de Vietnamees en concludeerde dat die psycho-pathologisch van aard was.

Ondanks de meer dan 250 pagina's tekst, behelst het boek van Binneveld, gezien de ondertitel, slechts een beknopte geschiedenis. Een dergelijk intrigerend, belangwekkend en door het jungle- en Golfsyndroom ook nog eens actueel onderwerp had, zeker als het met zoveel kennis van zaken is geboekstaafd, een uitgebreide geschiedenis verdiend.

    • Leo van Bergen