Plichtsgetrouw dissident

HANS KRIKKE: Dagboek van een RARA-terrorist

144 blz., De Papieren Tijger 1996, ƒ 32,50

Heeft Hans Krikke er verstandig aan gedaan om een boek te schrijven? Analyse van teksten was per slot van rekening een van de methodes die Justitie gebruikte om het vermoeden te staven dat Krikke en zijn collega Hans Müter, beiden van het Amsterdamse journalistencollectief Opstand, iets te maken hadden met de radicale actiegroep RaRa. Het leverde de onvergetelijke vondst op dat zowel de anonieme auteurs van RaRa-pamfletten als Krikke en Müter 'burgemeester' verkeerd spelden - als burgermeester.

Zo was in elk geval weer eens vastgesteld dat links-radicalen zelfs schriftelijk niet met gezagsdragers overweg kunnen. Maar hard bewijs kwam er verder niet, en in december vorig jaar werd het gerechtelijk vooronderzoek tegen Krikke en Müter geseponeerd. Eindelijk, want al in september 1994 deed Justitie huiszoekingen en werden dozen vol materiaal in beslag genomen; pas in november 1994 werden Krikke en Müter officieel verdachten, in maart 1995 werden de twee gearresteerd en in Den Haag zes dagen in hechtenis gehouden. Krikke's boek beschrijft de inval en de gebeurtenissen daarna, afgewisseld met gewetensonderzoek en ideologische analyse van zijn activistische verleden en exposés over het gebruik van geweld.

Medelijden

Krikke en Müter hebben enige betrokkenheid bij RaRa altijd ontkend, en dit boek geeft, voor wie daar benieuwd naar is, geen aanleiding die ontkenningen in twijfel te trekken. Ook de sceptische lezer krijgt bij vlagen eerder medelijden met de bloedserieuze en calvinistische Krikke, die jarenlang het onrecht in de wereld op zijn schouders torste. Nooit deed hij 'iets leuks', schrijft hij. En dan, inmiddels 36 jaar, journalist, vader en overgeschakeld naar een aanzienlijk lager voltage in het actiewezen, wordt hij gebombardeerd tot mogelijke terrorist. Voor Justitie werd de zaak een blamage, voor Krikke is de geschiedenis behalve onthutsend vooral triest.

Maar dit boek ligt ook om andere redenen zwaar op de maag: Krikke's ideologische strengheid, zijn gewetensonderzoek en zijn neiging om wat hem overkomt te interpreteren in verzetstermen - de strijd van de eenling tegen het Systeem. Een kind van de jaren zeventig is hij wel genoemd, en naar nu blijkt is dat terecht: zijn boek bevindt zich evenals andere ego-documenten uit die jaren op het snijvlak van individuele ontplooiing en systeemstrijd. Alleen worstelt Krikke niet met schaamte, zoals Anja Meulenbelt in haar feministische klassieker De Schaamte Voorbij, maar met plicht. “Als scholier van veertien jaar ruilde ik de straffe discipline van de kerk in voor die van een politieke partij; de kerkelijke moraal verruilde ik voor politiek dogmatisme. (... ) Alles wat ik oppakte was een plicht. Het werken in de fabriek, de studie, het samenwonen met een vriendin, het verzorgen van de poezen, maar ook mijn politieke activiteiten. (...) En ik offerde me graag op omdat ik daar goed in was.”

In de jaren tachtig radicaliseerde 'de beweging', hoewel Krikke altijd meer een denker bleef en geen doener werd in 'de harde kern'. Hij veroordeelt “geïsoleerde gewelddadige acties van een enkeling”. Ook de RaRa-aanslagen - onder andere op het woonhuis van staatssecretaris van justitie Kosto (1991) en op het ministerie van sociale zaken (1993) - worden om strategische redenen verworpen als 'avonturistisch' en 'dom'. Maar elders in het boek blijkt dat hij “gebouwen in de fik steken” weer wèl een acceptabele vorm van verzet tegen onrecht vond. Onder voorwaarden natuurlijk, want alles draait hier om 'strategie', en niet om moraal, zoals wel vaker in een moralistisch wereldbeeld.

Dit wereldbeeld blijkt aan het eind van het boek intact. “Ik heb nog minder vertrouwen in het parlementaire gekonkel”, schrijft Krikke. De laatste zin luidt: “Iedereen die er progressieve standpunten op na houdt is verdacht geworden.” Zijn plichtsgevoel gaat ten slotte over in sentimenteel getoonzet engagement op menselijke maat, wanneer hij het droevige lot beschrijft van zijn buurtgenote en alcoholiste Vera. Kort voordat hij hoort dat zijn zaak is geseponeerd, zit zij laveloos en met “dikke korsten van slecht genezen wonden” in haar woonkamer. Beyond help. Zo gaat het leidmotief van de plichtsgetrouwe dissident die de strijd aanbindt met het Systeem, over in dat van de ontregelde eenling die het verliest van de drank. “Vera wilde naar de afgrond”, aldus Krikke. “En ze ging.” Ook dat is een protestantse waarheid: zonder plichtsgevoel geen hoop.

    • Sjoerd de Jong