Om het regeerakkoord

KORT MAAR HEVIG was deze week de consternatie over de suggestie van VVD-leider Bolkestein om het regeerakkoord aan te passen. Met zijn voorstel om de partijleiders van PvdA, VVD en D66 deze zomer de balans op te laten maken, wist Bolkestein bijna iedereen tegen zich in het harnas te jagen. De VVD-leider had zijn gedachten dan ook slordig geformuleerd.

Het driemanschap dat in de zomer van 1994 onderhandelde over het regeerakkoord, kan niet zomaar herleven om zijn werkstuk van twee jaar geleden op te poetsen en aan te vullen. De partijleiders Kok en Van Mierlo hebben in hun hoedanigheid van minister nu eenmaal een andere verantwoordelijkheid dan Bolkestein als voorzitter van een Tweede-Kamerfractie. Als de uitgesproken aanhanger van het dualisme die Bolkestein altijd zegt te zijn, had hij wel wat langer bij dit probleem mogen stilstaan.

Door deze omissie van zijn kant bleven de reacties beperkt tot kritiek op de voorgestelde vorm. Dat is jammer, want de onderliggende gedachte van Bolkestein om het regeerakkoord ter discussie te stellen is wel degelijk het overwegen waard. Dankzij de economische meewind en de behoedzame veronderstellingen waarop het regeerakkoord is gebaseerd, is het niet ondenkbaar dat de hoofddoelstellingen van het regeerakkoord twee jaar eerder worden gehaald dan voorzien. Dit betreft zaken als banengroei, lastenverlichting en de afgesproken reductie van het financieringstekort. Minister Wijers van Economische Zaken wees reeds eind vorig jaar op deze ontwikkeling.

Daarnaast is er sprake van nieuwe inzichten. Zo is bij voorbeeld de jaarlijkse groei van de uitgaven voor volksgezondheid - een sector waar meer dan 60 miljard gulden in omgaat - een procent hoger dan voorzien. Voorts hebben zich de eerste grote obstakels voor enkele afspraken uit het regeerakkoord aangediend. De voorgenomen privatisering van de WAO blijkt niet volgens de aanvankelijk uitgestippelde lijnen te kunnen worden uitgevoerd. De plannen om te komen tot bestuurlijke herindeling zijn na de de referenda in Rotterdam en Amsterdam van de baan. Op het terrein van de media doen zich ontwikkelingen voor waar in de zomer van 1994 nog geheel geen rekening mee was gehouden. Het zijn slechts enkele recente voorbeelden.

NU IS HET een vast gegeven dat het regeerakkoord, naarmate de ontstaansgeschiedenis verder wegraakt, aan betekenis inboet. Niets staat een kabinet in de weg bij gewijzigde omstandigheden naar bevind van zaken te handelen. Geheel in de lijn dat de regering regeert en de Kamer controleert, kan de coalitie vervolgens een oordeel vellen. Een hechte coalitie kan zonder de dwingendheid van een regeerakkoord een heel eind komen.

VVD-fractievoorzitter Bolkestein heeft niet ten onrechte de vrees uitgesproken dat het 'paarse' kabinet zijn ambities zal bevriezen op het moment dat de belangrijkste doelstellingen uit het regeerakkoord zijn verwezenlijkt. Dat heeft te maken met de bijzondere samenstelling. PvdA en VVD, de twee voormalige antipoden van de Nederlandse politiek, hebben elkaar in 1994 met behulp van D66 'gevonden' door elkaar wederzijds als contractpartner te beschouwen. Vanuit die gedachtengang hebben zij ten behoeve van het regeerakkoord indertijd diverse zaken tegen elkaar uitgeruild. Maar als het regeerakkoord ineens geen uitkomst meer biedt, dan gaan de coalitiepartijen hun eigen weg, zo is de afgelopen jaren gebleken.

HET VOORSTEL van Bolkestein om deze zomer een tussenbalans van het regeerakkoord op te maken, kan voorkomen dat met nieuwe verkiezingen in het vooruitzicht PvdA en VVD over enige tijd als mammoeten tegenover elkaar komen te staan. Stilstand is de prijs van dit soort gedrag. De gang van zaken in het derde kabinet Lubbers kan wat dit betreft als afschrikwekkend voorbeeld dienen. Een herbezinning halverwege over de hoofdlijnen van het beleid, waarin ongetwijfeld sprake zal zijn van een nieuwe uitruil, kan daarentegen tot een impuls leiden. Een impuls die zeker nodig is. De krampachtige reacties op de suggestie van Bolkestein bevestigen in feite de noodzaak voor een voortgangsgesprek.