Moslim-feministe Esmé Choho zweert haar hoofddoek af; Ik heb me als vrouw-met-de-baard laten inzetten voor circusacts

Wat geloven we, wie vrezen we en waarom beminnen we? Frénk van der Linden spreekt met mensen die door overtuiging of ervaring een bijzonder inzicht hebben in geloof, dood of liefde. Publiciste Esmé Choho (24) kreeg landelijke bekendheid toen zij enkele jaren geleden in het televisie-programma De Schreeuw van De Leeuw naar voren trad als een intelligente moslimvrouw die bewust voor het dragen van een hoofddoek had gekozen. 'Ik was als een punker met een hanekam. Als ik in de spiegel kijk, zie ik een andere Esmé.'

Houd toch je bek, tut. Dat denk ik vaak over mezelf. Ik kan zo schijnheilig oreren, mezelf zo mooi voordoen... walgelijk. Tegelijkertijd is het hartstikke wáár wat ik dan zeg. Nu ook: ik ben de schrijfster die tegen haar zin debuteert. Klinkt hypocriet, ís hypocriet. Ik hou toch ontzettend van taal? Ik zet toch elke dag dromen, gedachten en fantasieën op papier? Ja, maar onderhuids voel ik verzet tegen publiceren. Een jaar geleden tekende ik een contract met uitgeverij Arena: ik zou iets leveren voor de migrantenbundel Het land in mij. Dat boek verschijnt binnenkort, inclusief mijn gezinsportret Ik wens je dood, maar ik heb spijt als haren op mijn hoofd. Ik wil me eigenlijk niet lenen voor een literaire allochtonenhype. Eigen schuld dikke bult: mevrouw moest weer zo nodig met haar kop in de krant. Hoer! Om mezelf te straffen zal ik een kant en klare semi-autobiografische roman een tijd in de la laten liggen. Voor een expressief mens als ik is dat een offer. Maar het moet nou eenmaal afgelopen zijn met mijn destructieve zelfverheerlijking. Dit is voorlopig mijn uiterste oefening in dat masochisme. Ik wil door de pijngrens, voor eens en voor altijd door de pijngrens van die dubbelheid.

Als je een aantal letters achter elkaar zet, krijg je een woord; als je woorden achter elkaar zet, krijg je een zin. Ik was vijf toen ik het door had. Een van de eersten in de klas die kon lezen. Na de grote ontdekking rende ik naar huis. Ik liet mijn moeder Jip en Janneke zien en zei: 'Ik begríjp dit'.

Haar reactie had iets ongemakkelijks. Ze was erg intelligent, maar bleek analfabeet. Ze had nooit de koran gelezen. En nóg niet. Wat zij haar kinderen heeft bijgebracht, is puur gebaseerd op orale traditie, op hearsay.

Het ergert mijn ouders waanzinnig, maar ik beschouw mezelf als Afrikaans. Ik ben tenslotte kind van een niet-Arabisch sprekende vrouw: een Berberse, afkomstig uit een dorpje in het Rif-gebergte, dochter van een alleenstaande marktventster en alternatieve genezeres. Omdat er geen geld voor school was, moest mijn moeder vanaf haar vroegste jeugd vee hoeden. Ze werkte ook als huishoudster. Zo ontmoette ze de zoon van een grootgrondbezitter die lid was van het eerste onafhankelijke Marokkaanse parlement. Het was echte liefde, een huwelijk dwars tegen de standsverschillen in.

Als jongen is mijn vader in het gedrang gekomen: zijn moeder overleed jong, en alle andere echtgenoten van zijn pa kloekten rond hun eigen kroost. Zijn rechten werden niet bewaakt, hij moest voor zichzelf boksen. Het clashte. Hij werd er stronteigenwijs van, gooide op allerlei manieren zijn kont tegen de krib. Het was de bedoeling dat hij ging studeren, maar hij wilde boer worden, ging in spijkerbroeken handelen, vertrok uiteindelijk op de bonnefooi naar West-Europa en liet na zeven jaar zijn vrouw overkomen. Zijn eigenzinnigheid zat zijn intelligentie in de weg. Mijnwerker in Duitsland, gastarbeider bij een Nederlandse kaasproducent, later ontslagen als controleur van een failliete tapijtfabriek, sindsdien werkloos... niks, níks om trots op te zijn. Dat beseft hij inmiddels. Als je hem ziet, denk je: wat een lief kaboutertje. Uiterlijk lijkt hij bright and shiny, maar innerlijk zit hij vol somberheid. Mijn vader is gekwetst, teleurgesteld in zichzelf. Als het hem teveel wordt, reageert hij het af op de mensen die van hem houden; zijn gezin betaalt mee aan de mislukte dromen.

Wij waren de eerste buitenlanders in Bodegraven, een welgesteld christelijk dorp. Ik werd er geboren toen Marokkanen nog welkom waren: 'Jeetje, leuk! Die gaan we hélpen!' Tante Nel, de buurvrouw, een madammetje met drie lagen make up en een rode suikerspin op haar hoofd, deed niets liever dan dingen voor ons bedisselen. Ze adviseerde mijn moeder minirokken aan te trekken. Die suggestie kwam uit een goed hart, maar ik vind het paternalisme - vermomde discriminatie.

Eind jaren zeventig werd het klimaat rauwer. We verhuisden naar een andere wijk, waar het praatje werd verspreid dat wij in stankwolken rondliepen, schapen in de schuur slachtten en in de hoeken van de kamer poepten. Op macro-niveau is het vandaag de dag nog erger: vreemdelingen zijn volgens veel Nederlanders criminelen en banen-inpikkers. Ik ben ervan overtuigd dat de officiële tolerantie - een rotwoord, het zou acceptatie moeten zijn - voor een groot deel fake is. Het broeit. Het rommelt. Het valt me op dat Nederlanders de komst van buitenlanders dikwijls beschrijven in termen die te maken hebben met water: 'We worden overstroomd door asielzoekers. We kampen met een vloed van illegalen.' Dit land is van oudsher gepreoccupeerd met de angst voor een watersnoodramp, en het is veelbetekenend dat men met zulke woorden aan het nationale trauma refereert.

Bolkestein stimuleert de onvrede. Hij schildert de islam af als een smet op het blazoen van Europa. Daarmee staat hij aan het eind van de lijn die eeuwen geleden begon bij Dante: het is een inferieur geloof, hier in het Westen heeft de wieg van de beschaving gestaan. Wat Bolkestein op het terrein van de moraliteit precies wil, weet hij zelf niet eens. Zijn pleidooi om terug te keren naar christelijke normen en waarden kwam nogal verward en onuitgewerkt op mij over. Maar feit is dat hij de islam tot een bedreiging uitroept. Dat zou weleens een self-fullfilling prophecy kunnen worden: straks krijgt Bolkestein de moslimvijand over zich heen die hij zelf aan het scheppen is.

In de tijd dat mijn zus Naïma en mijn broer Abdeluheb privéles koran kregen, zat ik als kleintje leergierig op de achtergrond mee te luisteren. Als zij vragen over bepaalde verzen kregen, stonden ze soms met een mond vol tanden, en dan ratelde ik die soera's op. Ik had een soort begeestering. De leraar vond het een klein wonder. Eigenlijk was ik een kasplantje dat geen water kreeg. Het geloof bij ons thuis ervoer ik als niet doorleefd, niet spiritueel. Een dogmatisch stelsel van wetjes, regeltjes, normpjes - that was all. Je krijgt een vorm uitgelegd, niet een inhoud. Ik herinner me dat mijn vader op zijn knieën, hoofd tegen de grond gebogen, gebeden zat te murmelen. De sadjah-houding. Ik dacht dat hij 'Ariel, Ariel, Ariel' opdreunde, het liedje van de wasmiddelenreclame. Dus zong ik het ook. Nou, zo ging dat dan: mijn vader zei er niets van, legde niets uit, reikte het 'heilige' niet aan. En ik vroeg er niet naar. Ik bleef droogstaan.

Ondertussen leefde ik in een witte wereld met witte waarden. Die kleur moest de mijne worden. Ik besloot te ontkennen dat ik Marokkaans was. Ik loog en verloochende. Noemde mezelf Spaans, Indonesisch of desnoods Indiaas. Veranderde mijn naam een poosje in Esmeralda. Op die manier was je in Nederlandse ogen niet 'bah, mohammedaans' maar exotisch. Ik, het bruintje, wilde per se in de blanke, Oilily- en Esprit-dragende omgeving passen. Aan het eind van mijn middelbare school-tijd liet ik me zo sterk leiden door de vooroordelen van klasgenoten dat ik me schaamde voor mijn eenvoudige ouders en me afzette tegen de islam. Ook twijfelde ik aan God; ik sprak het zelfs openlijk uit. Het leverde me alom bewondering op. Men vond mij een kéurig meisje, een héérlijk ding dat best mocht komen logeren, 'want goh, het is er net eentje van ons'.

Illusies, illusies. Hoe hard je het ook probeert, er breekt een moment aan dat je buiten de boot valt. Op een onbewaakt moment zei een van mijn vriendinnen in 5-havo: 'Esmé is een leuke meid, maar ze blijft anders'. Een koude douche. Ik hoorde niet bij de groep! Vreselijk vond ik dat. Nu niet meer. Het is sowieso een idee-fixe dat je ergens bij hoort. Je hoort nóóit ergens bij. Als je je eigenwaarde afhankelijk maakt van andermans goedkeuring, blijf je tot sint juttemis aan het zoeken. Jezelf vind je alleen in jezelf.

Onbewust is in die tijd de zoektocht naar mijn identiteit begonnen. Wie of wat wás ik nou? Ik ging nog naar de heao, wilde topzakenvrouw worden, maar diep in mijn hart leefde al een ander verlangen. Het streed in me. Ik ging de koran lezen - met open ogen, kritisch. Bezocht het Moslim Informatie Centrum in Den Haag. Tijdens bijeenkomsten van islamitische vrouwen raakte ik af en toe in tranen als er religieuze wijsheden werden geformuleerd. Ik wil daar niet verstopperig over doen. Ik zou me er op een intellectuele manier vanaf kunnen maken: 'De islam spreekt me aan omdat hij in tegenstelling tot het boeddhisme en het christendom niet exclusief redeneert, andere profeten als Jezus erkent, en niet gebonden is aan de een of andere plek op aarde. De islam biedt mij dan ook de mogelijkheid om te zeggen: ik ben geen Nederlander, geen Marokkaan, ik laat me niet door etniciteit bepalen, ik ben een universalist, een wereldburger.' Allemaal honderd procent correct, daar niet van, maar veel belangrijker is wat ik vóel. Islam betekent letterlijk: overgave aan de wil van God. Ik ben blij als ik de koran lees, als ik me aan de ratrace ontworstel, als ik midden in de nacht mijn bed uit spring om te mediteren en te bidden. Ik besef dat elk mens een micro-kosmos is, dat ik een piepklein maar tegelijkertijd uiterst waardevol onderdeeltje ben van een groot geheel. In die dualiteit ervaar ik de Allerhoogste. Hoe banaal en EO-achtig het ook klinkt: Hij is mijn lover. Ik heb Hem lief, en Hij mij.

Ik twijfelde lang over het dragen van een hoofddoek. Op een maandag in april '90 ben ik ermee naar de heao gegaan. Eerst dachten ze dat het een grap was. Na een week of wat werd ik gedumpt door mijn beste vriendin. Sommigen fluisterden achter mijn rug dat ik het slachtoffer was van onderdrukking. Onzin. Het tegendeel is het geval: de hoofddoek onderstreept je zelfrespect, je moslim-zijn. Ik beleefde die stap als een bevrijding. Als mensen dan een zielig typetje in je zien, een onmondige en domme vrouw die voor zich laat beslissen, erger je je kapot. Weet je wat mijn rij-instructeur bij de kennismaking vroeg? 'Zo kindje, jij spreken Nederlands?' Onthullend.

Ik was in één klap gedegradeerd, maar de pers vond me machtig interessant. Esmé, cause célèbre! De map artikelen over mij is genant dik. Achteraf vraag ik mezelf af waarom ik er aan meewerkte. NOVA wilde me in de Heemskerkse hoofddoekenaffaire opvoeren als 'ervaringsdeskundige' - om je dood te lachen. Mijn redenering was dat zulke interviews positieve effecten zouden hebben voor Salaam, het moslimblad waarvan ik redacteur was. Maar dat ging gewoon op de fles. In wezen heb ik me als een soort vrouw-met-de-baard laten inzetten voor circus-acts. Alleen op De schreeuw van De Leeuw kijk ik tevreden terug. De islamitische gemeenschap nam me dat optreden absoluut niet in dank af, maar ik vermoed dat de show een hele gunstige impact voor de beeldvorming van moslims in Nederland heeft gehad. De kijkers werden aan het denken gezet. Die Marokkaanse droeg weliswaar een hoofddoek, maar ze kon uit haar woorden komen! Die vreemde figuren waren wel degelijk beschaafd - wat een sensatie meneer.

Ik ben een fundamentalist. De media hebben dat woord verkracht: ze associëren het voortdurend met intolerantie, extremisme, agressie, bloed. In mijn ogen drukt het alleen maar uit dat je je baseert op de koran en de hadith - dat wat de Profeet heeft gedaan en gezegd. Belangrijk is dat je een eigen invulling van de beginselen kiest. Sji'iten, soennieten, sekten, wetscholen: al die verschillende verabsoluteringen doen onrecht aan het gegeven dat de islam bij uitstek een 'individuele' godsdienst is. Straks, als je op Het Matje staat, kun je niet zeggen: 'Ik heb die en die imam gevolgd, dus met mij zit het wel snor'. Je bent persoonlijk verantwoordelijk.

Het ergste wat je met de islam kunt doen, is haar politiseren, één interpretatie uitroepen tot hedendaags handboek voor het maatschappelijk leven. De visie van Khomeiny en het gepapegaai van zijn aanhangers is nou niet bepaald my cup of tea. Ik probeer contact te houden met de bron, en lees daarnaast wat godsdienstgeleerden, geschiedkundigen, sociologen en bestuurders te melden hebben. Het moet ademen.

Ik noem mezelf weleens een moslim-feministe. Jammer genoeg klopt het woord 'feministe' niet helemaal: het doet denken aan de bekende seculiere, superbitch-achtige variant op het emancipatiestreven, terwijl ik juist streef naar gelijkheid op basis van koranteksten. Dat kan namelijk, dat kan heel goed. Ik verkeerde jarenlang in de veronderstelling dat de islam een vrouwonderdrukkende, seksistische godsdienst was. Nou, niets blijkt minder waar. Ik zou een kip zonder kop zijn, als ik koos voor een godsdienst die mijn rechten als mens niet erkent. Het is de islamitische cultuur die mannen laat domineren. Ze doen alsof we in het Saoedie-Arabië van vóór Mohammed leven, en verbannen vrouwen keihard uit het publieke domein. Ik heb het laatst in een artikel 'De tien verboden' genoemd: 'Niet studeren. Niet naar verjaardagsfeestjes. Niet 's avonds weg. Niet op kamp. Niet logeren. Niet met jongens gezien worden. Niet alleen op vakantie. Niet alleen wonen. Niet daten. Niet uit eten met collega's en vrienden'. Ondertussen mogen de heren natuurlijk gaan en staan waar ze willen. Sorry, maar zoiets heet een dubbele moraal.

Het is afschuwelijk wat onopgeleide én opgeleide moslim-mannen zichzelf allemaal nog veroorloven, ondanks de islam. Achter de voordeur intimideren, slaan en verkrachten ze hun echtgenotes, en op straat gedragen ze zich hitsig tegenover andere vrouwen. Wanneer je als Marokkaanse wordt herkend, lopen ze je achterna: 'Hé zin, hé schoonheid'. Of ze maken van die vieze, verleidelijk bedoelde tsss-tsss-geluidjes. In zulke situaties zou ik het liefst de koran voorlezen: 'Zeg de gelovige mannen dat zij hun blikken neerslaan en hun kuisheid bewaren. Voorwaar, God is op de hoogte van wat zij doen'. Soera 24, vers 30.

Verder erger ik me rot aan de schijn-drukte van die mannen, de quasi-gewichtigheid. Als ze werkloos zijn, een uitkering ontvangen en in het theehuis hangen, blijven ze doen alsof ze de koning zijn. Zo van: 'Ik haal het geld binnen'. Houd toch op kereltjes, denk ik dan, verbeeld je maar niks, jullie worden gewoon betaald door de Nederlandse overheid. Ondertussen verricht de moeder van jullie kroost thuis onbetaalde arbeid. Soms denk ik: we zijn terug bij af, we leven weer in het pre-islamitische stammen- en woestijntijdperk. Natuurlijk zijn niet alle moslim-mannen superslecht, maar opnieuw geldt het recht van de sterkste. De man. Gelukkig hebben vrouwen het zelf in de hand. We moeten studeren, we moeten aantonen waar voorbije tradities eindigen en waar het eeuwige hart van de koran begint - kwestie van letter en geest. Hoe meer wij ons durven te ontwikkelen, hoe minder we zullen pikken.

Ik laat me niet uithuwelijken. Mijn zus trouwde op die manier met een uit Marokko geïmporteerde jongen, en dat liep fout. Ik geloof in zielsversmelting, in echte liefde. Met elkaar naar bed gaan is de wereldse uiting daarvan. Die daad heeft voor mij de connotatie 'bekroning'. Dat wil ik niet met zomaar iemand, dat wil ik alleen met mijn man. Waarschijnlijk laat het nog wel even op zich wachten, want ik ben heel moeilijk verliefd te krijgen. Laat staan dat ik lichamelijk word. One night stands zijn voor mij... onbereikbaar! Ze liggen niet in mijn macht. Af en toe ga ik met moslim-mannen uit, maar het blijft bij kletsen. Ze weten wat voor vlees ze met mij in de kuip hebben. En degenen die toch iets ondernemen, stuiten op zo'n frigiditeit van Esmé dat ze spontaan bevriezen.

Mijn ouders zijn overprotective. Ze hadden me het liefst tot aan het huwelijk thuis over de vloer gehad om me als een demente bejaarde over te dragen aan mijn bruidegom. Een moslim-meisje dat haar eigen weg volgt, alléén naar buiten gaat, loopt het gevaar haar sharaf, haar eer te schenden. Daarmee komt de hele sociale status van het gezin op het spel te staan: het aanzien in de moskee, de waardering van vrienden, alles. Meisjes hebben een bijna niet te torsen last op hun schouders. Zij moeten bloeden voor het familiebelang. De woorden waarmee men je bindt, zijn schitterend: de vrouw is als een kostbare parel die je in haar schelp moet koesteren. Maar eigenlijk is dat een belediging voor de helft van de schepping. Die parelvrouwen hebben toevallig wel een bewustzijn - het meest essentiële onderscheid tussen mens en dier. In het Arabisch: aql, het vermogen te reflecteren, te kiezen tussen goed en kwaad. Dat wordt volledig miskend. De mannen eisen dat wij als een zielloos object mooi zitten te zijn, terwijl we verlangen naar de zee, de rest van Gods rijk willen ontdekken.

Ik ben kortgeleden in de buurt van mijn werk gaan wonen. Mijn vader begrijpt het enigszins, die heeft ooit zijn eigen onafhankelijksstrijd gestreden. Maar mijn moeder vat het voor geen meter. Hele verdrietige ruzies zijn het. Ze lijdt onder haar achterhaalde verwachtingen. Ze snapt niet dat ik volop wil participeren: arbeidsmatig, politiek, whatever. Het is tragisch; de afstand tussen ons zal misschien toenemen. Ik sta op het punt haar ernstig teleur te stellen.

De afgelopen maanden heb ik mijn hoofddoek wat minder omgedaan. Nu gaat-ie af. Omdat mijn identiteit zo langzamerhand geïnternaliseerd is. Die hoofddoek is voor mij nooit een religieuze verplichting geweest: ik profileerde mezelf ermee, gaf aan waar ik stond. Als een punker met een paarse hanekam. De behoefte om het zo uit te dragen, heb ik niet meer. Als ik in de spiegel kijk, zie ik een andere Esmé. Het past mij niet meer. Wat niet wil zeggen dat ik de vrouwen die een hoofddoek prefereren de rug toekeer. Ik hoop alleen dat het hún bewuste besluit is.

Ik heb behoorlijk tegen deze ommezwaai aangehikt. “Zie je wel”, zullen talloze Nederlanders zeggen, “het was gewoon een rare, onvolwassen kronkel van die griet. Eindelijk wordt ze zindelijk.” En ik loop de kans dat moslims me zullen veroordelen. Ik had de move natuurlijk in stilte kunnen maken. Maar als je publiekelijk voor iets hebt gekozen, hoor je ook de moed op te brengen daar publiekelijk afstand van te doen. Wat telt is niet de kritiek, niet de hoon, wat telt is het geloof in mijn eigen integriteit. Ik geloof in verandering, in beweging. Menigeen kan dat niet opbrengen. Maar als het goed is, blijft identiteit altijd in wording.