Kasteelmysterie

M.B. DE ROEVER (red.): Het 'Kasteel van Amstel'. Burcht of bruggehoofd?

145 blz., geïll., Stadsuitgeverij Amsterdam 1996, ƒ 29,90

Jammer eigenlijk, dat archeoloog Jan Baart bij de presentatie van het boek Het 'Kasteel van Amstel'. Burcht of bruggehoofd? volmondig zijn eerdere vergissing toegaf. “Ik geloof echt niet meer dat het kasteel in de twaalfde eeuw is gebouwd”, zei hij tegen de lokale tv-zender. Echt jammer, want dat was nu juist het strijdpunt waarover in dit boek de degens zouden worden gekruist.

Twee jaar geleden stuitte de Amsterdamse stadsarcheoloog Baart op de resten van een funderingsmuur, in het oudste gedeelte van de stad. Met een fonkelende perspresentatie bestempelde Baart zijn bakstenen vondst “voor 99 procent zeker” als het kasteel van Gijsbrecht van Amstel. Gebouwd, schatte hij, aan het eind van de twaalfde eeuw.

Het was alsof heel het land erop had zitten wachten. In de dagen erna verschenen duizenden, tienduizenden mensen bij de bouwput om te kijken naar de resten van wat al spoedig, zonder dat ene procent twijfel, 'het Kasteel van de Heren van Amstel' ging heten. Wie durfde nog te beweren dat Nederlanders geen historisch besef hebben! Amsterdam was geëlektriseerd door de ruïne en door het aanstekelijke verhaal dat de archeoloog erbij vertelde. Baart had de stadsgeschiedenis in één klap met honderd jaar verlengd en schilderde de lage edelen Van Amstel af als vrijbuiters, die doelbewust rond 1200 een vrijgevochten stad hadden gesticht. Raadsleden vermoedden in de vondst een toeristische trekpleister van de eerste orde. En tot op de dag van vandaag vergaderen ambtenaren over de wijze waarop de muurresten moeten worden gepresenteerd. Het kan sober, maar liever moet het een echte attractie worden.

Terwijl de enthousiasme-motor op volle toeren liep, pruttelden alleen wat historici en collega-archeologen tegen. Beroepsgedeformeerde cynici die op elke slak zout leggen en een bodemschat liever onder dan boven het zand zien, zoals Baart opmerkte. In kranten en tijdschriften gingen de partijen elkaar te lijf. En dat terwijl ze elkaar juist zo goed kunnen gebruiken als het gaat om kennis over de vroegste geschiedenis van de stad. Opgegraven voorwerpen vullen de karige geschreven bronnen aan, de bronnen vormen het kader waarbinnen de voorwerpen betekenis krijgen.

De verdienste van dit boek is dat het de kennis van beide partijen verenigt. Het stelt, zoals gezegd, Baart met zijn datering in het ongelijk. Via de dendrochronologie, de C-14 methode, de ontwikkelingen in de waterhuishouding, de typologie van sintelnagels (een soort krammetjes, gebruikt in de scheepsbouw) en de typologie van kastelen wordt uitputtend bewezen dat de ruïne van de tweede helft van de dertiende eeuw moet dateren. En nu Baart dat ook heeft toegegeven, blijven genoeg belangrijke vragen over: waartoe diende deze muur en wie bouwde 'm?

Op die vragen geeft het boekje nauwelijks een begin van antwoord. Baart houdt vol dat het een kasteel is, gebouwd door de heren Van Amstel. Hij baseert zich daarbij op geschreven teksten van 1450-1500 waarin vermeld staat dat in Amsterdam in 1304 een kasteel van Jan van Amstel werd verbrand door burger van Haarlem, met hulp van Kennemers en Waterlanders. Even verderop in de bundel bewijst de mediaevist Kees Verkerk dat de schrijvers van die teksten een ouder geschiedverhaal verkeerd hebben gelezen en het woord 'vesten' (verdedigingswerken, wallen) hebben opgevat als 'veste' (kasteel).

Maar wat Verkerk daartegenover stelt, overtuigt ook (nog) niet. Hij acht het niet aannemelijk dat een familie van eenvoudige, ja zelfs onvrije komaf, zoals de mannen die zich Van Amstel gingen noemen, destijds een kasteel bezat. Een versterkt huis zo aan de rand van hun ambtsgebied (hun machtscentrum was ooit het huidige Ouderkerk), daar gelooft Verkerk niet in. Als het een sterkte is geweest, zegt hij, dan moet die zijn gebouwd door de echte machthebber van rond 1280, graaf Floris V van Holland. Het is gezegd, het is niet aangetoond.

    • Bas Blokker