Jonge criminelen vragen om straf

AHMET OLGUN: Contouren van het Nederlandse getto. Reportages over ontspoorde jongeren

208 blz., Vassallucci 1995, ƒ 26,90

Een jaar of vier geleden, terwijl Ahmet Olgun zijn eerste 'reportages over ontspoorde jongeren' voor de Nieuwe Revu maakte, werd een van zijn vrienden doodgeschoten - geliquideerd. Ze waren allebei in Turkse dorpjes opgegroeid, in dezelfde streek, en leerden elkaar kennen toen ze, zo'n dertien, veertien jaar oud, bij hun vaders in Nederland kwamen wonen. De een deed de havo en ging naar de School voor Journalistiek. De ander werd crimineel, al na een paar jaar, terwijl hij het aanvankelijk toch niet slecht deed op school.

Vanwaar dat verschil? Ahmet Olgun (1965) haalt in de kantine van de Nieuwe Revu zijn schouders op - “moeilijk te zeggen, ik ben in ieder geval niet intelligenter dan andere Turken”. Hij steekt een filtersigaret op. “Geld is voor ons heel belangrijk. Anders ben je niemand.”

Dat zeggen de jongens in zijn reportages ook. De 'Mafiakid', de Turkse herdersjongen die hier in Nederland op zijn zestiende zijn mafiabaas doodschoot, wilde 'mooie kleren en een dure auto', en veel geld, want daar kon hij vrienden mee maken. Het diefje Olivier, de Kaapverdiaan, zegt het voorbeeldig: “Geld moet je hebben, veel geld. Anders ben je niets.” Alleen de Marokkaanse Mohammed B. dacht naar eigen zeggen helemaal niet aan geld toen hij op 6 november 1993 de sigarenhandelaar Hartman in Amsterdam-Oost vermoordde - hij was gewoon “kwaad over hoe de mensen met mij zijn omgegaan”.

De titel van zijn bundel, Contouren van het Nederlandse getto, “is wat pretentieus”, zegt Olgun zelf al. En hij is ook niet verbaasd te horen dat niet alle opgenomen reportages aan de vergetelheid van het weekbladarchief ontrukt hadden hoeven worden. Maar de (meeste) stukken, die de persoonlijke geschiedenissen vertellen van jonge criminelen, zijn de moeite van het nalezen waard. “Of ik echt van mensen houd, weet ik niet”, schrijft hij in zijn voorwoord. “Maar ik houd wel van hun verhalen.” Dat blijkt.

Olgun vindt het eigenlijk geen vraag waarom hij en andere jonge allochtonen een opleiding volgden, een vak leerden en een net burger werden. “Wonderbaarlijker is het dat zoveel anderen zo makkelijk kunnen afglijden. Waarom wordt er niet naar hen omgekeken? Door de instanties niet, en door hun ouders niet?”

De ouders, zo is bij Olgun te lezen, hebben het doorgaans met elkaar aan de stok. De jongens proberen trots te zijn op hun vaders, maar die denken alleen aan sparen voor grond en goederen in hun land van herkomst, om dáár iemand te worden. Aan hun moeder zijn ze meestal innig verknocht, en die laat ze begaan. “Ik kan je toch niet tegenhouden, zei ze.” Overheidsinstellingen tolereren en gedogen. In Olguns verhalen zijn het de jonge misdadigers zelf die om straf vragen, om duidelijke normen, en minder klakkeloos 'begrip' van hulpverleners.

Journalistiek

Toegeeflijk zijn ouders en instanties, maar onder elkaar zijn de crimineeltjes hard, en later wordt het zo meedogenloos dat ze meestal lef en intelligentie tekortkomen om hun misdadige carrière na hun achttiende te vervolgen. Een degelijk burgerbestaan wordt echter ook niet zonder strijd verworven. Olgun heeft zijn best moeten doen om in de journalistiek te slagen.

Op de School voor Journalistiek waren er leraren die zijn fouten door de vingers zagen, zijn achtergrond werd als verzachtende omstandigheid aangevoerd. Maar docent Gijs Schreuders, de Volkskrant-columnist, “was een beul”. Zo erg dat Olgun in het begin vaak aan opgeven dacht. Hij moest van zijn fouten leren, vond Schreuders, en dat geloofde hij op den duur. Het was een heel andere benadering dan die op de havo, waar hij ooit eens voor een proefwerk Nederlands het hoogste cijfer haalde (“niet vreemd, ik moest de taal helemaal vanuit de regels leren”) en de klas hem op uitnodiging van de leraar een staande ovatie gaf. Olgun hield daar niet van.

Hij heeft er nooit bewust voor gekozen om met reportages over de 'onderkant van de samenleving' zijn brood te gaan verdienen. Het was meer de keuze van de Nieuwe Revu-redactie, is zijn idee. Tijdens een stage bij dat blad werd hij er op uitgestuurd om als illegaal te gaan werken: het werd een succes, hij won zelfs een prijs voor dat verhaal, en vervolgens vroeg het blad om meer van hetzelfde.

De concurrentie onder aankomende journalisten is groot, en met een 'undercover'-reportage kan snel de nodige faam gevestigd worden. Dat brengt risico's met zich mee, vindt Olgun. Van goedkope stagiaires wordt zo meer standvastigheid gevraagd dan op grond van hun jeugd en onervarenheid te billijken is. Zo was er de vrouw die zichzelf prostitueerde voor een reportage over hoeren. “Ik had het wel gepubliceerd als ik hoofdredacteur was geweest, laten we eerlijk wezen. Maar als verslaggever zeg ik nee, je moet je grenzen trekken.”

“Je moet zo uitkijken bij dit soort journalistiek. Er zitten bijvoorbeeld aardige jongens tussen die criminelen. Je ziet ze vaak, ze krijgen het idee dat we vriendjes zijn, en dan kan je gauw in een sfeer terecht komen dat je kleine diensten gaat verlenen. Je moet dus zorgen dat je niet al te amicaal wordt. En je burgerplicht niet vergeten. Er mag veel, maar je staat niet boven de wet.”

Oppassend

Hoe komt Ahmet Olgun zo oppassend? Zijn moeder gaf hem er flink van langs als hij iets fout deed, zegt hij. Dat lijkt echter niet erg uitzonderlijk in Turkse kring. “Maar mijn moeder sloeg niet alleen, ik kon ook met haar praten. Een heel sterke persoonlijkheid, met veel mensenkennis. Maar mijn werk vindt ze maar niks. Je moet je niet met andermans zaken bemoeien, zegt ze. En je moet niet liegen - ze haalt de Turkse en Nederlandse pers een beetje door elkaar.”

Hij heeft een 'prachtjeugd' gehad in Turkije, in een gehucht van zestig gezinnen. Het lijkt een beetje op de jonge jaren van zijn 'Mafiakid': in de maandenlange zomervakantie met de andere jongens het vee hoeden - althans de kalveren, voor de koeien waren ze nog te klein. En ze voetbalden vaak op het dorpsplein. “Als ik eerder naar Nederland was gekomen had ik nu misschien minder accent gehad. Maar verder? Ik had die jeugd daar niet willen missen.”

Heimwee heeft hij niet. Niet meer. Toen hij jaren later met zijn (Turkse) vrouw het dorp terugzag, waren er van de zestig gezinnen nog maar veertig over. Zijn vrienden waren naar de stad getrokken, en op het voetbalveldje groeide onkruid. Niets blijft hetzelfde. Turkije doet hem niks meer.

“Je ziet vaak dat jongens die uit Turkije komen heel wat nuchterder over dat land denken dan de jongens die hier geboren zijn, en je komt ze ook veel meer tegen onder studenten aan de universiteit. Turkse jongens die hier geboren zijn lijken wel minder prestatiegericht. Ze zijn in ieder geval veel nationalistischer, en vaak heel anti-Nederlands. Ik weet niet hoe dat komt.”

De klacht is dat allochtone jongeren geen succesvolle voorbeelden hebben om na te streven. Ahmet Olgun zou dus in een behoefte kunnen voorzien, maar hij betwijfelt het. Als hij met zijn twaalf jaar oude Peugeotje bij Turken voor komt rijden, ziet hij het al aan de gezichten - “teleurstelling alom”. “En waarom zou ik een voorbeeld moeten zijn? Dat vind ik niet eerlijk!”

Hij wil zich ook niet als een allochtone journalist gedragen. Discriminatie, daar kan hij zich wel kwaad over maken, maar dat allochtonen zich en groupe in de journalistiek zouden moeten laten gelden, nee, dat zouden een soort belangenvertegenwoordigers worden. Het is gewoon een vak, waar hij van houdt. Ondanks zijn boek voelt hij zich geen 'schrijver'. Het liefst denkt hij terug aan zijn eerste stage, bij een 'echte' krant, de Zaanse Typhoon: tegen de 'deadline' aan werken, iedere dag het nieuws. “Dat is toch veel serieuzer, zo'n weekblad is eigenlijk alleen maar luxe.”

“Iedereen moet de kans krijgen, maar alleen de goeien moeten verder komen. En dan is het niet alleen een kwestie van taalvaardigheid en algemene ontwikkeling. Het belangrijkste is de loyaliteit. Je moet als journalist maar één loyaliteit hebben: de journalistiek zelf.”

    • Martijn de Rijk